Hof en HR bij definitie ‘winst uit onderneming’ niet zuiver in de leer

Jelle van den Berg , Instituut voor Fiscale Kennisoverdracht (IFK) / 5 reacties

Op 5 maart 2010 heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (van 4 juni 2009, rol nr. 08/00006) bevestigd. Hoewel ik het met de conclusie eens ben, lijkt de motivering nergens op.

De casus


Een wethouder heeft naast het wethouderschap ook nog een architectenbureau. Over de periode 1997 – 2004 worden er alleen maar verliezen geleden. Over 2002 heeft de inspecteur de verliezen niet in aftrek toegelaten met de motivatie dat er, gelet op de permanente verliessituatie en het ontbreken van positieve vooruitzichten geen sprake is van ‘winst uit onderneming’.
­
Het Hof concludeert:
(…)
Voor de vraag of het door belanghebbende in zijn aangifte over het jaar 2002 vermelde verlies van € 15.418 terecht door verweerder (de inspecteur) niet in aftrek is gebracht, is doorslaggevend of belanghebbende in 2002 een onderneming heeft gedreven. Hiervan is sprake als belanghebbende als ondernemer door middel van een organisatie van kapitaal en arbeid heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om geldelijk voordeel te behalen. Daarbij moet dit geldelijk voordeel redelijkerwijs verwacht kunnen worden.
(…)
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van onze wethouder.

Waar gaat het fout?


Het Hof gebruikt de verkeerde motivering of komt tot de verkeerde conclusie. Wellicht is het door de inspecteur op het verkeerde been gezet, maar het Hof had zelfstandig moeten concluderen.
­
De eis dat er moet worden deelgenomen aan het economisch verkeer met het oogmerk om geldelijk voordeel te halen is geen specifieke eis voor het ondernemerschap. Deze eis komt in een eerder stadium aan de orde. Namelijk bij de vraag of er sprake is van een bron van inkomen (voor de Wet IB 2001). Als er geen bron van inkomen is kan er uiteraard ook geen ‘winst uit onderneming’ worden genoten.  Als er wel een bron van inkomen zou zijn geweest kan er sprake zijn van ‘winst uit onderneming’, inkomsten uit een dienstbetrekking’ of ‘inkomsten uit overige werkzaamheden’. Deze drie bronnen hebben elk nog hun eigen ‘toelatingseisen’.

Hoe had het gemoeten?


Uiteraard moet eerst de bronvraag worden gesteld. Om voor de Wet IB 2001 een bron van inkomen (in box 1) te hebben moet aan de volgende eisen zijn voldaan.
  1. Er moet worden deelgenomen aan het economische verkeer.
  2. Er moet, objectief gezien, redelijkerwijs een positief resultaat te verwachten zijn.
  3. Er moet, subjectief gezien, een oogmerk zijn om geldelijk voordeel te behalen.

Als aan deze drie eisen cumulatief is voldaan is er een bron van inkomen. Vervolgens moet voor ‘winst uit onderneming’ nog aan een aantal aanvullende eisen worden voldaan. Denk aan ondernemersrisico’s, aantal opdrachtgever, enz.
­
Als er geen sprake is van de bron ‘winst uit onderneming’ kan, afhankelijk van de feiten, er sprake zijn van een ‘dienstbetrekking’ (gezagsverhouding) of ‘overige werkzaamheden’.

Conclusie


In deze casus gaat het toevallig goed. Het Hof constateert eigenlijk dat er geen ‘bron van inkomen’ is. Hierdoor is er ook geen ‘winst uit onderneming’. Had het Hof geconcludeerd dat er wel voldoende deelname aan het economisch verkeer was geweest en dat er wel voldoende voordeel te behalen was, dan was er, door de verkeerde insteek, automatisch sprake van ‘winst uit onderneming’. En dit laatste is nog maar de vraag.
­
Zijn er wel voldoende opdrachtgevers, wordt er voldoende ondernemersrisico gelopen, enz.? Als deze vragen met nee worden beantwoord is er wel een bron van inkomen, maar deze bron heet dan ‘inkomsten uit overige werkzaamheden’ (met zijn eigen fiscale spelregels).

Reacties (5)

Reageren:
 
 
 
 
 

Jelle van den Berg, 25 maart 2010, 15:00 uur
Ik heb goed uitgeslapen. Dank. Met betrekking tot het bericht van Van Embden merk ik op dat het voor een generieke aanpak van dit soort vraagstukken niet erg verhelderend is om van twee vragen een vraag te maken. Het feit dat ik het zo niet heb gelezen geeft al aan dat hierdoor verwarring kan ontstaan. Voor dit geval komt het wel goed, maar voor een algemene aanpak heeft de beantwoording van twee vragen mijn voorkeur.
wklein, 21 maart 2010, 19:05 uur
Ik denk dat Jelle niet goed uitgeslapen was toen hij de uitspraak las. Alles overziende is er geen enkele aanleiding de uitspraak te bekritiseren
W. van Embden, 18 maart 2010, 8:52 uur
Ik begrijp uw punt, maar volgens mij heeft het Hof niet de fout gemaakt waar u het van beticht. Het Hof heeft niet alleen maar de bronvraag gesteld, maar wel degelijk ook de vraag gesteld of er sprake was van een onderneming: "Hiervan is sprake als belanghebbende als ondernemer door middel van een organisatie van kapitaal en arbeid ..." In plaats van, zoals u voorstelt, er 2 aparte vragen van te maken (bronvraag en vervolgvraag of er sprake is van een onderneming) heeft het Hof er 1 samengestelde vraag van gemaakt, die echter alleen positief beantwoord zou zijn geworden als aan beide vereisten was voldaan. vr.gr., Wim van Embden
Jelle van den Beg, 11 maart 2010, 13:27 uur
Beste Arnold. Ik vermoed ook dat de inspecteur het bronkarakter heeft willen aanvechten. Hij gebruikt immers argumenten die hierbij horen. Het Hof kan inderdaad niet buiten de rechtstrijd treden, maar moet wel de juiste argumenten gebruiken om een stelling van de inspecteur te volgen of af te wijzen. Dat is hier niet gebeurd en daarover gaat mijn blog. Groetend, Jelle
Arnold Altena, 10 maart 2010, 15:39 uur
Is hier wel goed geprocedeerd? Wat is de primaire stelling en wat de subsidiaire stelling etc? Bovendien wat is aangegeven? Het lijkt dat de rechter hierin een beperkte rol heeft, toch?

Gepubliceerd

10 maart 2010

Laatst gewijzigd

11 maart 2010, 13:26 uur

Aantal keer gelezen

960 keer
Blog afdrukken Blog afdrukken Blog doorsturen Blog doorsturen
Tekstgrootte A A A

Opinie

Hof en HR bij definitie ‘winst uit onderneming’ niet zuiver in de leer

Jelle van den Berg

Op 5 maart 2010 heeft de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (van 4 juni 2009, rol nr. 08/00006) bevestigd. Hoewel ik het met de conclusie eens ben, lijkt de motivering nergens op.

De resultaatgenieter: stiefkind van de inkomstenbelasting?

Stan Stevens

De categorie belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden is de vergaarbak van de inkomstenbelasting geworden. Zeer uiteenlopende vormen van inkomen worden belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. De freelance inkomsten van pseudo-ondernemers zoals auteurs, maar ook de inkomsten uit vermogen die een niet speculatief karakter hebben, inkomsten uit een lucratief belang en niet te vergeten inkomsten uit een terbeschikkingstelling. Op al deze inkomsten is het winstregime van toepassing inclusief een aantal ficties, maar zonder de leuke faciliteiten van het winstregime, zoals de ondernemersfaciliteiten. De resultaatgenieter lijkt daardoor het stiefkind van de inkomstenbelasting te worden.

Inspecteur kruipt door het oog van de naald bij zakelijkheidstoets

Fons Overwater

Vandaag las ik weer zo’n glibberige uitspraak die in de vakliteratuur nauwelijks aandacht krijgt. Dit keer van de Rechtbank Breda van 8 september 2008, 06/326. Het gaat daarbij om de bewijslastverdeling bij al dan niet vermomde uitdelingen en de aftrekbaarheid van al dan niet zakelijke kosten. Voorwaar een leuke opfrisser van basiskennis.

Video

Alleen voor leden Verdieping
Shop

Verslaggeving van organisaties zonder winstoogmerk

prof.dr. M.N. Hoogendoorn RA

Winstrealisatie bij onderhanden werk binnen goed koopmansgebruik

dr.mr. J.M. van der Heijden RA

De totale winst in de vennootschapsbelasting

J.G. Verseput

BV!? Waarom, wanneer

mr. E.P.J. Wasch

Stellingen

Moet belastingvrijstelling van de groene auto blijven?