Loonvormen
bijgewerkt tot en met 4 augustus 2008
Vormen van loonbetaling
In de meeste gevallen zal de werknemer in geld worden betaald. De werkgever heeft de plicht om het loon te betalen in Nederlandse valuta. De betaling vindt in de praktijk meestal plaats per bank of giro. Contante betaling komt nauwelijks meer voor.Beloning in natura
Beloning in de vorm van voortbrengselen van het bedrijf, grondstoffen en hulpstoffen, is alleen toegestaan voor zover deze voortbrengselen, grond- en hulpstoffen horen tot de eerste levensbehoeften van een werknemer en zijn gezin. Zo mag bijvoorbeeld een bedrijf dat gereedschappen maakt, de werknemer niet uitbetalen in gereedschap, omdat dit geen eerste levensbehoefte is.Onder voortbrengselen van het bedrijf wordt geen alcoholhoudende drank verstaan. Bovendien mag de werknemer niet onbeperkt worden betaald in de vorm van voortbrengselen van het bedrijf. Als regel wordt gesteld dat zoveel mag worden betaald als de werknemer voor zijn eerste levensbehoefte nodig heeft (Burgerlijk Wetboek 7: art. 617).
Voorbeeld
A is in dienst van B als bakker. A heeft een vrouw en twee kinderen. B mag A in brood uitbetalen. B mag echter niet meer brood in loon uitbetalen aan A dan een normaal gezin van vier personen gebruikt.
A is in dienst van B als bakker. A heeft een vrouw en twee kinderen. B mag A in brood uitbetalen. B mag echter niet meer brood in loon uitbetalen aan A dan een normaal gezin van vier personen gebruikt.
Echte voortbrengselen
Er mag slechts betaald worden in de vorm van voortbrengselen van het bedrijf. Zo mag een kruidenier zijn personeel niet betalen in de vorm van artikelen die hij in zijn bedrijf verkoopt. Deze artikelen zijn immers geen voortbrengselen van de kruidenier, maar komen elders vandaan.Aanvullende betaling in natura
Behalve dat (een deel van) het vast overeengekomen loon in natura kan worden voldaan, zijn ook aanvullende betalingen in natura mogelijk, zoals feestgeschenken en 'incentives' (bijvoorbeeld vakantiereizen).Dienstwoning
Eén van de vormen waarin een werknemer kan worden betaald, is dat hem een woning ter beschikking wordt gesteld. De reden hiervoor kan bijvoorbeeld zijn dat het voor de uitoefening van de functie noodzakelijk is dat de werknemer een dienstwoning bewoont (bijvoorbeeld een huismeester in een bejaardentehuis, die dag en nacht beschikbaar moet zijn).Het is ook mogelijk dat het gebruik van een dienstwoning niet strikt noodzakelijk is, maar dat het bedongen wordt in een arbeidsovereenkomst. Het onderscheid tussen de eerste en tweede soort dienstwoning is vooral van belang bij het einde van de arbeidsovereenkomst.
Eigenlijke of oneigenlijke dienstwoning
In de rechtspraak wordt onderscheid gemaakt tussen een eigenlijke dienstwoning en een oneigenlijke dienstwoning. Een eigenlijke dienstwoning is een woning waarvan contractueel is bedongen dat de werknemer in die woning woont. Deze bewoningsplicht vloeit rechtstreeks voort uit de aard van de te verrichten arbeid. De arbeid waarvoor de werknemer in dienst is genomen kan niet of niet goed worden verricht als de werknemer niet in de aangewezen woning zou wonen. Te denken valt aan een portierswoning of de flatwoning van een huismeester.Een oneigenlijke dienstwoning is een woning waarin de werknemer woont omdat dat zo is overeengekomen in zijn arbeidsovereenkomst. Voor een goede taakuitoefening is het bewonen van de dienstwoning echter niet noodzakelijk.
Dienstwoning bij einde arbeidsovereenkomst
Het onderscheid tussen een eigenlijke en een oneigenlijke dienstwoning is vooral van belang bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Bij een eigenlijke dienstwoning moet de werknemer de woning automatisch verlaten als de arbeidsovereenkomst eindigt. Bij een oneigenlijke dienstwoning staat het einde van de huurovereenkomst los van het einde van de arbeidsovereenkomst.Eigenlijke dienstwoning: einde recht op bewoning
Is er sprake van een eigenlijke dienstwoning, dan eindigt het recht op bewoning van dit pand met het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Bij een eigenlijke dienstwoning is er geen sprake van een gemengde huur/arbeidsovereenkomst, maar alleen van een arbeidsovereenkomst, omdat volgens de Hoge Raad de bewoning in belangrijke mate bijdraagt tot een goede uitoefening van de dienstbetrekking en de woning in gebruik is gegeven met het oog op de aard van de te verrichten arbeid. Als de arbeidsovereenkomst eindigt, kan de werknemer niet in de woning blijven zitten door een beroep te doen op huurbescherming.Voorbeeld
A is in dienst van B als bewaker. Vanwege zijn functie woont hij met zijn gezin in een woning die op het bedrijfsterrein staat. A wordt betrapt bij het stelen van bedrijfseigendommen. A wordt op staande voet ontslagen en zal de woning moeten verlaten.
Verricht een werknemer zijn werkzaamheden tijdelijk niet omdat hij bijvoorbeeld ziek is, dan is het dienstverband niet beëindigd en kan de werknemer dus ook niet uit zijn woning worden gezet.A is in dienst van B als bewaker. Vanwege zijn functie woont hij met zijn gezin in een woning die op het bedrijfsterrein staat. A wordt betrapt bij het stelen van bedrijfseigendommen. A wordt op staande voet ontslagen en zal de woning moeten verlaten.
Oneigenlijke dienstwoning: contracten afzonderlijk opzeggen
Is er sprake van een oneigenlijke dienstwoning, dan is er sprake van twee overeenkomsten: een arbeidsovereenkomst en een huurovereenkomst. Dit betekent dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet automatisch het einde van de huurovereenkomst inhoudt. Zegt de werkgever op, dan is het raadzaam beide overeenkomsten afzonderlijk op te zeggen, dus niet alleen de arbeidsovereenkomst. Wordt alleen de arbeidsovereenkomst opgezegd, dan duurt het huurcontractuele deel ongewijzigd voort.Het voorgaande geldt ook voor de werknemer; verandert hij van baan, maar wil hij de woning blijven bewonen, dan bestaat de mogelijkheid alleen het arbeidscontractuele gedeelte van de overeenkomst op te zeggen.
Gecombineerde opzegbepaling
Partijen kunnen bij het aangaan van de overeenkomst afspreken dat opzegging van de arbeidsovereenkomst tegelijkertijd opzegging van de huurovereenkomst inhoudt. Doen partijen dit, dan valt door beëindiging van de overeenkomst nog niet automatisch de huurbescherming weg. Dit is alleen het geval indien de werknemer heeft laten blijken dat hij niet meer in de woning wil blijven wonen.Is zo'n bepaling in de overeenkomst opgenomen, dan kan de werkgever wel een procedure aanspannen waarin hij aanvoert dat hij 'de woning zo dringend zelf nodig heeft dat van hem niet verwacht kan worden de gewezen huurder langer in het genot van de woning te laten'. Onder 'zelf nodig hebben' kan ook worden verstaan het feit dat de werkgever de woning nodig heeft om een nieuwe werknemer onderdak te verschaffen. De rechter bekijkt dan onder andere waarvoor de werkgever de woning nodig heeft en de reden waarom en de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst is beëindigd.
Voorbeeld
A is als directeur in dienst van B. A huurt van B een woning voor een prijs die ver onder de economische waarde ligt. A heeft zich bovendien bij het aangaan van de overeenkomst verbonden de woning bij het einde van de dienstbetrekking te ontruimen. In dit geval oordeelde de rechter dat A de huurovereenkomst bij het einde van de overeenkomst niet mocht verlengen.
A is als directeur in dienst van B. A huurt van B een woning voor een prijs die ver onder de economische waarde ligt. A heeft zich bovendien bij het aangaan van de overeenkomst verbonden de woning bij het einde van de dienstbetrekking te ontruimen. In dit geval oordeelde de rechter dat A de huurovereenkomst bij het einde van de overeenkomst niet mocht verlengen.
Genot van een woning
Het gratis bewonen van een woning behoort tot de arbeidsvoorwaarden. Dit is een verkapte vorm van loon en daarom moeten er loonheffing en premies worden ingehouden. De waarde wordt gesteld op de waarde die de woning in het economische verkeer heeft. Echter, het komt voor dat een werknemer een duurdere woning tot zijn beschikking krijgt dan hij zich onder normale omstandigheden zou kunnen veroorloven. Indien de taak van de werknemer met zich meebrengt dat hij in dat duurdere huis moet wonen, wordt de werknemer niet belast voor de echte huurwaarde van het huis. De werknemer wordt belast voor het bedrag dat hij, gelet op zijn inkomensniveau normaliter voor zijn huisvesting zou betalen.Voorbeeld
A woont in een portierswoning, hetgeen noodzakelijk is om zijn bewakingsfunctie uit te kunnen oefenen. Normaliter zou voor deze woning € 750 (waarde in het economische verkeer) kale huur kunnen worden ontvangen. De personen uit A's vergelijkingsgroep geven gemiddeld € 500 uit aan huurkosten. Dit is dan ook het bedrag dat A zich bespaart, de besparingswaarde. Dit bedrag zal bij zijn loon worden geteld en hierover moeten de loonheffingen worden berekend.
Spaarregelingen
Met de spaarloonregeling kan de werknemer voor hem belastingvrij sparen. Over het gespaarde bedrag hoeft hij geen belasting en premies af te dragen. Wel is de werkgever een vast tarief aan belasting hierover verschuldigd, namelijk sinds 2005 25%. Deze heffing kan niet worden ingehouden op het loon van de werknemer zoals normaal gesproken wel mogelijk is. Het is een verplichte werkgeversheffing en noemen we eindheffingSchriftelijke vastlegging
De regeling moet schriftelijk zijn vastgelegd. Ze kan worden afgesproken tussen werkgevers- en werknemersorganisaties op bedrijfs- of bedrijfstakniveau of tussen werkgever en ondernemingsraad. Er kan een aparte regeling zijn ontworpen, maar de regeling kan bijvoorbeeld ook in de cao of een bedrijfsreglement zijn opgenomen.Kring van deelnemers
In de regeling moet staan voor wie de spaarregeling bestemd is. Het is niet vereist dat de deelname voor elke werknemer in gelijke mate openstaat, zodat er ruimte is voor differentiatie. De werkgever kan de spaarregeling bijvoorbeeld laten gelden voor alle werknemers, voor werknemers beneden een bepaalde inkomensgrens en voor werknemers die in vaste dienst zijn. Als algemeen vereiste geldt echter wel dat van het totale werknemersbestand 75% aan de regeling kan deelnemen.De deelname hoeft ook niet verplicht te worden gesteld. Aan iedere individuele werknemer kan de keuze worden gelaten om al dan niet deel te nemen.
Voorwaarden aan deelname
De deelname mag aan voorwaarden worden gebonden, maar deze voorwaarden mogen niet zodanig zijn dat de mogelijkheid om aan de regeling deel te nemen te veel belemmerd wordt.De volgende bepalingen maken mogelijk inbreuk op een reële deelnamemogelijkheid.
Voorbeeld
De voorwaarde dat uit het normale salaris het maximale spaarloon wordt gespaard. Dit kan een feitelijke belemmering vormen voor lager gesalarieerde werknemers.
De deelname aan een (spaar)regeling wordt afhankelijk gesteld van de deelname aan andere (spaar)regelingen. In deze gevallen kan soms door een cumulatie van voorwaarden de reële deelnamemogelijkheid van een of meer regelingen te zeer worden beperkt.
De deelnamemogelijkheid wordt gekoppeld aan prestaties of andere criteria waaraan slechts een beperkt deel van het personeel feitelijk zal voldoen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een regeling die slechts openstaat voor directie- en stafleden.
De voorwaarde dat uit het normale salaris het maximale spaarloon wordt gespaard. Dit kan een feitelijke belemmering vormen voor lager gesalarieerde werknemers.
De deelname aan een (spaar)regeling wordt afhankelijk gesteld van de deelname aan andere (spaar)regelingen. In deze gevallen kan soms door een cumulatie van voorwaarden de reële deelnamemogelijkheid van een of meer regelingen te zeer worden beperkt.
De deelnamemogelijkheid wordt gekoppeld aan prestaties of andere criteria waaraan slechts een beperkt deel van het personeel feitelijk zal voldoen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een regeling die slechts openstaat voor directie- en stafleden.
Gelijke behandeling
Hoewel de werkgever in beginsel vrij is om de kring van deelnemers te bepalen mag hij hierbij geen ongeoorloofd onderscheid tussen mannen en vrouwen maken. Een doelgroep die neutraal omschreven is maar in de praktijk vooral vrouwen uitsluit, kan indirect discriminerend zijn en daardoor ongeldig.Incidentele werknemers
Werknemers die incidenteel werken, kunnen niet van de spaarregeling worden uitgesloten. Het is voor de Belastingdienst echter geen bezwaar als in een regeling als ondergrens wordt opgenomen dat werknemers die doorgaans gedurende minder dan acht uren per week of gedurende minder dan één maand per jaar werkzaam zijn niet kunnen deelnemen. De zogenoemde driekwarteis wordt in dat geval beoordeeld voor alle werknemers die niet aldus zijn uitgesloten. Hiernaast is het mogelijk het spaarloon of de winstdeling naar evenredigheid (gerelateerd aan de omvang van het dienstverband) vast te stellen.Per werknemer
Heeft een werknemer twee dienstbetrekkingen (bij twee verschillende werkgevers) dan was het tot 2005 altijd mogelijk dat hij tweemaal het maximale spaarloon spaarde. De regeling gold namelijk per werkgever. Per 2005 is dat anders; dan geldt de regeling per werknemer. De werknemer kan dan alleen nog maar bij de werkgever bij wie hij op 1 januari van het kalenderjaar in dienstbetrekking staat, én bij wie hij op die dag de algemene heffingskorting toepast, met de spaarloonregeling meedoen. Verandert de werkgever in de loop van het jaar van baan, dan kan hij bij zijn nieuwe werkgever in ieder geval de spaarloonregeling niet toepassen omdat hij daar op 1 januari van dat jaar niet in dienst was. Spaarloonsparen kan voor dat jaar alleen bij de 'oude' werkgever; desnoods laten inhouden op de afrekening of het laatst uit te betalen brutomaandloon.Uitvoering
In de regeling staat wie de spaarloonregeling uitvoert, bijvoorbeeld een bank, de werkgever of een fonds dat speciaal belast is met de uitvoering van de regeling.Betrokkenheid van de or
Heeft het bedrijf een ondernemingsraad, dan is voor vaststelling, wijziging en intrekking van de regeling instemming van de ondernemingsraad nodig. Instemming van de ondernemingsraad is alleen dan niet vereist als een uitputtende regeling in de cao is opgenomen.Levensloopregeling
De spaarloonregeling en de levensloopregeling kunnen niet samengaan met elkaar. De werknemer moet dus kiezen. Hij mag er uiteraard ook voor kiezen om aan geen van beide regelingen mee te doen.Spaarloonregeling
Bij de spaarloonregeling keert de werkgever een afgesproken bedrag van het brutoloon niet aan de werknemer uit, maar stort dit bedrag ten name van de werknemer op een spaarloonrekening bij een bank of op een spaarloonrekening bij de werkgever zelf. Dit bedrag, spaarloon genoemd, wordt minimaal vier jaar op de rekening geblokkeerd. De werknemer mag jaarlijks maximaal € 613 aan spaarloon sparen. Voor zowel werknemer als werkgever biedt het spaarloon financiële voordelen.Het spaarloon hoeft niet op het maandelijkse brutoloon te worden ingehouden; het mag ook op een winstuitkering of het vakantiegeld worden ingehouden of op de uitbetaling van overuren.
Fiscale gevolgen
De werknemer hoeft over het gestorte spaarloon geen belasting- en premies te voldoen. De werkgever hoeft bovendien over het ingehouden spaarloon niet zijn aandeel in de premies voor de werknemersverzekeringen te voldoen. De werkgever is wel een loonheffing van 25% (vóór 2005: 15%) verschuldigd over het door de werknemer gespaarde bedrag; een zogenoemde eindheffing.Voorbeeld
Een werknemer neemt deel aan de spaarloonregeling bij zijn werkgever. Jaarlijks wordt € 600 van zijn brutoloon op een spaarloonrekening gestort. Over dit zogenoemde spaarloon hoeft de werknemer geen loonheffingen in te houden. Zou dit loon als normaal loon aan de werknemer zijn uitgekeerd, dan zou hij daarvan, bij een belastingtarief van 42% € 348 overhouden (afgezien van de premieheffing werknemersverzekeringen). Door dit loon op de spaarloonrekening te zetten wordt door de werknemer dus een netto voordeel genoten van € 252. 48 maanden na elke storting van € 600 mag de werknemer dit bedrag van de spaarrekening afhalen.
De werkgever is over het gespaarde bedrag 25% loonheffing verschuldigd. De totale loonkosten bij een spaarloon van € 600 bedragen voor de werkgever € 750. Dit is in de meeste gevallen nog altijd minder dan in het geval de werkgever deze € 600 als brutoloon had uitgekeerd. Dan zou de werkgever hierover het werkgeversdeel in de premies voor de sociale verzekeringen moeten afdragen.
Als de werknemer meer dan € 613 uit zijn brutoloon spaart, moet over het bedrag boven de € 613 volgens de normale regels de loonheffingen worden ingehouden en afgedragen.
Een werknemer neemt deel aan de spaarloonregeling bij zijn werkgever. Jaarlijks wordt € 600 van zijn brutoloon op een spaarloonrekening gestort. Over dit zogenoemde spaarloon hoeft de werknemer geen loonheffingen in te houden. Zou dit loon als normaal loon aan de werknemer zijn uitgekeerd, dan zou hij daarvan, bij een belastingtarief van 42% € 348 overhouden (afgezien van de premieheffing werknemersverzekeringen). Door dit loon op de spaarloonrekening te zetten wordt door de werknemer dus een netto voordeel genoten van € 252. 48 maanden na elke storting van € 600 mag de werknemer dit bedrag van de spaarrekening afhalen.
De werkgever is over het gespaarde bedrag 25% loonheffing verschuldigd. De totale loonkosten bij een spaarloon van € 600 bedragen voor de werkgever € 750. Dit is in de meeste gevallen nog altijd minder dan in het geval de werkgever deze € 600 als brutoloon had uitgekeerd. Dan zou de werkgever hierover het werkgeversdeel in de premies voor de sociale verzekeringen moeten afdragen.
Als de werknemer meer dan € 613 uit zijn brutoloon spaart, moet over het bedrag boven de € 613 volgens de normale regels de loonheffingen worden ingehouden en afgedragen.
Opnemen van het tegoed
Een werknemer kan in beginsel zijn spaarloon altijd van zijn rekening halen, maar dan vindt - als dat binnen de vierjaarsperiode gebeurt - wel alsnog over een deel van het bedrag de normale belasting- en premieheffing plaats. Dit deel is de periode dat het geld nog geblokkeerd had moeten staan in verhouding tot de totale blokkeringstermijn van 48 maanden. Mocht het bedrag van € 613 na drie jaar worden opgenomen (niet voor een geoorloofd deblokkeringsdoel) dan is hiervan 1/4 deel belast naar het normale tarief (+ premies voor de werknemersverzekeringen). Immers, 1 van de 4 jaren is nog niet doorlopen.Echter, al enkele malen is door het kabinet besloten om spaargeld voortijdig te laten vrijvallen om de economie een impuls te geven. Dat was begin 2003 en medio 2005.
Uitzonderingen
Op deze regel zijn uitzonderingen mogelijk. De werknemer mag zijn spaarloon ook binnen de blokkeringsperiode van vier jaar belasting- en premievrij van zijn spaarloonrekening opnemen voor bepaalde duurzame bestedingsmogelijkheiden. Gedacht kan worden aan de aankoop van een eigen huis, bepaalde kapitaalsverzekeringen of lijfrentepolissen, de kosten van kinderopvang of een studie. Nieuw per 2007 is dat het spaarloon binnen de vierjaarsperiode opgenomen mag worden om de kosten van een zogeheten EVC-procedure te betalen.Verder is er nog een aantal deblokkeringsmogelijkheden.
Let op: De regeling van de werkgever hoeft niet persé alle wettelijk toegestane deblokkeringsmogelijkheden te bevatten.
Verhaal op de werknemer
Als achteraf blijkt dat aan de zijde van de werknemer niet is voldaan aan de deblokkeringsvoorwaarden, kan dit leiden tot een naheffingsaanslag. Deze wordt echter bij wijze van eindheffing opgelegd aan de werkgever. Verhaal op de werknemer is dan volgens de Hoge Raad niet mogelijk, omdat zo'n eindheffing te beschouwen is als een eigen schuld van de werkgever. De werkgever dient in zo'n geval tijdig oplegging van een gewone naheffingsaanslag aan te vragen, welke wél op de werknemer verhaalbaar kan zijn (Bron; HR 11 januari, 2008, JAR 2008, 38).Gevolgen voor sociale zekerheid
Bij de spaarloonregeling moet rekening gehouden worden met consequenties in de sfeer van de sociale zekerheid. Omdat de werknemer hier spaart van zijn brutoloon, is over het gestorte spaarloon geen premie en belasting verschuldigd. Dit heeft tot gevolg dat het spaarloon niet tot het eventuele uitkeringsloon kan horen.Bijzondere overeenkomsten
Spaarloonregelingen zijn alleen mogelijk voor werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. Ook werknemers met een `fictieve' dienstbetrekking, zoals freelancers, kunnen in principe aan de regeling deelnemen, evenals degene die voor een fiscale dienstbetrekking heeft verzocht (opting-in). Zij worden beide fiscaal als werknemer aangemerkt.Of de bedrijfsspaarregelingen ook mogelijk zijn voor werknemers die bijvoorbeeld op basis van een oproepovereenkomst, een deeltijdovereenkomst of een bepaalde tijd werkzaam zijn, hangt af van de werkingssfeer van de regeling. Is in de regeling bepaald dat deze voor alle werknemers geldt, dan is de regeling op deeltijdwerkers e.d. van toepassing (indien deze overeenkomst aan de vereisten van een arbeidsovereenkomst voldoet,). Hou wel de 75%-grens in de gaten. Is meer dan 25% van het personeel (inclusief oproepkrachten, e.d.) uitgesloten, dan vervalt het fiscale voordeel van het lage tarief van 25%.
Bijzondere beloningen
In het bedrijfsleven kan een regeling worden getroffen op grond waarvan de werkgever aan werknemers het recht toekent om een of meer aandelen te verwerven in de inhoudingsplichtige vennootschap of in een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap. Via de spaarregelingen kan dit fiscaal vriendelijk, namelijk voor een bedrag van € 1.226 (dus een verdubbeling van het normale spaarbedrag) aandelen en/of aandelenopties per werknemer per jaar toekennen tegen de werkgeversheffing van 25%. Er moet dan wel in de regeling zijn bepaald dat de werknemer de aandelen c.q. aandelenopties gedurende vier jaar in bewaring moet geven aan een aangewezen instelling (een bank bijvoorbeeld) of aan de werkgever. Als de werknemer binnen vier jaar de rechten vervreemdt, moet hij de waarde die de rechten bij toekenning hadden, storten op een geblokkeerde spaarrekening. Op die wijze kan dan de vierjaarsperiode worden volgemaakt. De blokkeringseis geldt niet voor het bedrag dat de aandelen sinds het moment van toekenning in waarde zijn gestegen.Hetzelfde geldt voor opties op aandelen in het bedrijf. Ter waarde van € 1.226 per jaar per werknemer kunnen deze opties tegen het tarief van 25% worden verstrekt.
Heel algemeen kan gezegd worden dat het hier om uitkeringen gaat die afhankelijk zijn van de winst die in het bedrijf wordt gemaakt en/of van de inzet van de werknemer. We hebben het over:
- bonus,
- provisie,
- gratificatie,
- tantième en
- winstaandeel.
Winstdeling
Werkgevers en werknemers in de marktsector kunnen overeenkomen dat de werknemers recht krijgen op een aandeel van de (fiscale of commerciële) winst van het bedrijf van de werkgever of van een of meer bedrijven die met dit bedrijf verbonden zijn. Het bedrag dat de werknemers als winstuitkering ontvangen, is afhankelijk van de bedrijfswinst en van de overeengekomen winstdelingsregeling.De werknemer hoeft over de € 613 slechts het lage tarief van 25% te betalen. Dit bedrag moet ook voor 48 maanden geblokkeerd staan. In wezen is dit een gewone spaarloonregeling, alleen wordt het spaarbedrag niet van het brutoloon of een tantième ingehouden, maar van de winstuitkering.
Winstdeling in de vorm van aandelen
Behalve een uitkering in geld is het ook mogelijk de werknemer een winstaandeel te betalen in de vorm van aandelen van het eigen bedrijf. Dit maakt de werknemer tot participant in het bedrijf. De aandeelhouder is immers mede-eigenaar en kan zijn stem laten horen op de aandeelhoudersvergadering. Om het aandelenbezit niet te veel te versnipperen is het mogelijk de aandelen te laten beheren door een vereniging. Aandelen uitgeven via de spaarloonregeling is zeer fiscaalvriendelijk.Overigens kan het bezit van aandelen wel consequenties hebben ten aanzien van de pensioenregeling.
Aandelenoptierecht
Een andere vorm van winstdeling is het aandelenoptierecht. Dit geeft de werknemer het recht om binnen een bepaalde tijd tegen een vooraf bepaalde prijs aandelen te kopen in de vennootschap van de werkgever of in een daarmee gelieerde vennootschap. Deze vorm van winstdeling is de laatste jaren sterk in de belangstelling gekomen. Met name als de waarde van de aandelen gedurende de looptijd sterk stijgt, kan een optierecht financieel zeer voordelig voor de werknemer zijn.De bedoeling van het optierecht is onder andere om de werknemer aan het bedrijf te binden. Aan de uitoefening van het optierecht wordt daarom meestal de voorwaarde verbonden dat het dienstverband nog moet bestaan.
Het is aan te bevelen het optierecht vast te leggen in een schriftelijke overeenkomst. Hierin kunnen de rechten en verplichtingen van beide partijen worden omschreven. In de overeenkomst zullen in elk geval aan de orde moeten komen:
- welke prijs de werknemer voor het aandeel betaalt als hij van zijn optierecht gebruik maakt;
- de periode waarin de werknemer van zijn optierecht gebruik kan maken;
- de vraag of de optie al of niet overdraagbaar is (de werkgever kan bedingen dat de werknemer zijn optierechten niet mag overdragen aan derden);
- een ontbindende voorwaarde met het oog op beëindiging van het dienstverband. Het is gebruikelijk een bepaling op te nemen dat het optierecht vervalt bij beëindiging van het dienstverband. Eventueel kan worden opgenomen dat de werknemer bij het einde van het dienstverband verplicht is de verkregen aandelen te verkopen aan de vennootschap.
Aandelenopties uitgeven via de spaarloonregeling is, net als aandelen, zeer fiscaalvriendelijk.
Let op: De fiscale aspecten van het aandelenoptierecht gaan het bestek van deze publicatie te buiten. Het verdient aanbeveling hiervoor een fiscaal handboek of een belastingdeskundige te raadplegen.
Aanspraak in de arbeidsovereenkomst
Er zijn verschillende manieren waarop een bonus, e.d. uitgekeerd kunnen worden. Soms bestaat een aanspraak (= recht) op de bijzondere beloning, en soms kan de werknemer het vergeten.Voorbeeld
A is in dienst van B. In de arbeidsovereenkomst is afgesproken dat A ieder jaar een tantième krijgt uitgekeerd ter hoogte van een maandsalaris. In een bepaald jaar maakt B geen winst en de tantième wordt niet uitgekeerd. In dit geval moet B, ondanks het feit dat er geen winst is gemaakt toch de extra maand uitkeren, omdat het hier niet om een werkelijke tantième gaat die afhankelijk is van de winst. Het gaat hier om een maand extra salaris waarop de werknemer ingevolge het arbeidscontract recht heeft.
Het is raadzaam in de arbeidsovereenkomst vast te leggen dat een werknemer slechts dan recht heeft op een aan de winst gerelateerde uitkering, indien het bedrijfsresultaat het toelaat. Op deze manier wordt voorkomen dat de werknemers in tijden dat geen winst wordt gemaakt, toch hun bonus claimen.A is in dienst van B. In de arbeidsovereenkomst is afgesproken dat A ieder jaar een tantième krijgt uitgekeerd ter hoogte van een maandsalaris. In een bepaald jaar maakt B geen winst en de tantième wordt niet uitgekeerd. In dit geval moet B, ondanks het feit dat er geen winst is gemaakt toch de extra maand uitkeren, omdat het hier niet om een werkelijke tantième gaat die afhankelijk is van de winst. Het gaat hier om een maand extra salaris waarop de werknemer ingevolge het arbeidscontract recht heeft.
Het kan verstandig zijn voor de exacte formulering van aanspraken in de arbeidsovereenkomst een deskundige te raadplegen.
Als een recht op bonus of provisie in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, wordt dit beschouwd als inkomsten 'uit hoofde van de dienstbetrekking' en is over deze inkomsten vakantiebijslag verschuldigd. In de arbeidsovereenkomst kan dit worden uitgesloten, mits men zich houdt aan de minimumhoogte zoals die in de WMM is opgenomen en afwijking volgens de cao (indien van toepassing) mogelijk is (Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag: art. 6).
De bonus e.d. is gewoon loon en hierover moeten dus belastingen en premies over betaald worden. Voor de loonheffing (heffing van loonbelasting en premies volksverzekeringen) moet de werkgever de tabel bijzondere beloningen gebruiken (Wet op de loonbelasting 1964: art. 26). Het is immers een beloning die eenmalig of slechts één keer per jaar wordt betaaldt. Voor bijvoorbeeld provisies die ieder kwartaal worden afgerekend moet daarentegen de normale tabel worden gebruikt.
Geen aanspraak in de arbeidsovereenkomst
Als de arbeidsovereenkomst geen afspraak bevat dat de werknemer recht heeft op een bonus, e.d., is de werkgever vrij om een bonus uit te keren. Hij moet hierin echter wel redelijk blijven. Dit houdt onder meer in dat hij niet willekeurig aan de ene werknemer wel een winstuitkering mag toekennen en aan de ander niet. Voor een bonus die eenmalig wordt gegeven naar aanleiding van een bijzondere prestatie van de werknemer ligt dit iets moeilijker. Alleen werknemers die daadwerkelijk een bijzondere prestatie hebben geleverd komen voor zo'n bonus in aanmerking.Is het de gewoonte bij een bedrijf dat ieder jaar een winstgerelateerde uitkering wordt uitgekeerd, hoewel het niet afgesproken is in de arbeidsovereenkomst, dan kan de werkgever niet aan het uitkeren van een tantième, e.d. worden gebonden. De werkgever heeft echter wel een goede reden nodig om de tantième niet meer uit te keren.
Voorbeeld
A is in dienst van B. Hoewel dit niet is afgesproken, keert B aan zijn personeel ieder jaar een gratificatie uit. Om te kunnen overleven moet B op een gegeven moment gaan investeren. Besloten wordt hieraan de winst te spenderen en een aantal jaren geen winstuitkeringen meer te doen. B heeft een goede reden om geen winstuitkeringen meer te doen. Er is geen winstaandeel afgesproken in de arbeidsovereenkomst. B is vrij van winstuitkering af te zien.
A is in dienst van B. Hoewel dit niet is afgesproken, keert B aan zijn personeel ieder jaar een gratificatie uit. Om te kunnen overleven moet B op een gegeven moment gaan investeren. Besloten wordt hieraan de winst te spenderen en een aantal jaren geen winstuitkeringen meer te doen. B heeft een goede reden om geen winstuitkeringen meer te doen. Er is geen winstaandeel afgesproken in de arbeidsovereenkomst. B is vrij van winstuitkering af te zien.
Voorbeeld
A is in dienst van B. Hoewel dit niet is afgesproken, keert B aan zijn personeel ieder jaar een tantième uit. B vindt A echter niet zo sympathiek. Hij besluit daarom aan A geen winstuitkering meer te doen. Hoewel A geen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen recht heeft op een winstuitkering, heeft B niet de vrijheid om willekeurig het ene personeelslid wel een winstaandeel uit te betalen en het andere niet.
A is in dienst van B. Hoewel dit niet is afgesproken, keert B aan zijn personeel ieder jaar een tantième uit. B vindt A echter niet zo sympathiek. Hij besluit daarom aan A geen winstuitkering meer te doen. Hoewel A geen in de arbeidsovereenkomst overeengekomen recht heeft op een winstuitkering, heeft B niet de vrijheid om willekeurig het ene personeelslid wel een winstaandeel uit te betalen en het andere niet.
Wijzen van uitbetaling
Er zijn verschillende manieren waarop een bonus, e.d. kunnen worden uitgekeerd. Hierna volgen enkele mogelijkheden.De bonus wordt eens in de zoveel jaar uitbetaald
Met de werknemer kan worden afgesproken dat de bonus pas na een aantal jaren zal worden uitbetaald. In dit geval verschuift het tijdstip van inhouding naar de toekomst.Spreekt de werkgever met de werknemer af dat de werknemer recht krijgt over het aantal jaren dat de bonus, e.d. nog niet wordt uitbetaald, dan kan worden afgesproken dat de werkgever op het moment dat de bonus, e.d. is vastgesteld, rente gaat betalen.
Deze regeling, waarbij het betalingsmoment naar de toekomst wordt verschoven, is officieel niet toegestaan. In de praktijk komt deze regeling echter veel voor en is ook door de fiscus geaccepteerd. Alleen wanneer de werknemer voor de rechter eerdere betaling van de bonus zou eisen, kan de rechter deze regeling ongedaan maken. Dit is echter nog niet voorgekomen.
De bonus als percentage van de winst
De bonus kan bestaan uit een percentage van de winst. Het is van belang dat de werkgever in zijn bedrijf een nauwkeurige omschrijving geeft van de winst waarover de bonus wordt uitgekeerd. Er zijn namelijk verschillende definities van het begrip winst (bijvoorbeeld bedrijfswinst, fiscale winst). Aan het percentage kan een maximumbedrag gekoppeld worden, bijvoorbeeld dat voor het personeel 5% van de winst gereserveerd wordt met een maximum van € 50.000.Bonus afhankelijk van de prestatie
Behalve van het bedrijfsresultaat kan de uitkering van de bonus, e.d. ook afhankelijk worden gesteld van de inbreng en prestatie van het personeelslid.Voorbeeld
- Is een werknemer in een bepaalde periode veel ziek, dan kan geen aanspraak worden gemaakt op de bonus.
- Een verkoper krijgt een bepaald gedeelte van de winst op de productie die hij verkoopt. Hoe meer producten hij verkoopt, hoe hoger zijn inkomen.
- Een werknemer van wie duidelijk is dat hij zich extra inzet, kan een extra loonsverhoging krijgen. Deze kan bijvoorbeeld worden toegekend in een functioneringsgesprek.
Flexibele beloning
Een bonusregeling kan onderdeel zijn van een systeem van flexibele (of variabele) beloning. De vraag naar systemen van variabele beloning is de laatste tijd erg groot. Bij de invoering van zo'n systeem moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Voordat in een bedrijf een systeem van flexibele beloning wordt ingevoerd moet de zaak goed voorbereid zijn. Het gaat hier onder andere om een billijk systeem van flexibele beloning, er moet overleg gevoerd worden met de ondernemingsraad en in de arbeidsovereenkomst met de individuele werknemer moet het systeem worden vastgelegd.Einde van de arbeidsovereenkomst
In beginsel bestaat bij het einde van de arbeidsovereenkomst naar evenredigheid recht op de hier aan de orde zijnde aanvullende loonbestanddelen als bonus, provisie, gratificatie, tantième, winstaandeel. Het is echter mogelijk in de arbeidsovereenkomst af te spreken dat de betaling alleen plaatsvindt als de werknemer op het moment dat deze normaal gesproken wordt gedaan, in dienst van de werkgever is. Is met een handelsagent contractueel provisie afgesproken, dan heeft deze wettelijk recht op een billijke beloning voor zijn voorbereiding van overeenkomsten met derden.Jubileumuitkeringen
Het is gebruikelijk dat de werkgever aandacht besteedt aan het feit dat een werknemer een bepaald aantal jaren in dienst is. De werkgever kan bij zo'n gelegenheid een belasting- en premievrije uitkering doen. De volgende bedragen zijn vrijgesteld van de loonheffingen bij een diensttijd van:- ten minste 25 jaar: één maandloon;
- ten minste veertig jaar: één maandloon.
De belastingvrije jubileumuitkering hoeft niet op of direct na de jubileumdatum te worden verstrekt. De uitkering mag ook bijvoorbeeld bij de beëindiging van de dienstbetrekking na 28 en/of 42 dienstjaren worden verstrekt, ook al zijn dit geen jubileumtermijnen. Ook mogen na een diensttijd van 40 jaar, twee maandlonen onbelast worden verstrekt, mits bij of na het bereiken van de diensttijd van 25 jaar de jubileumuitkering nog niet is verstrekt.
Fooien
Loon wordt gezien als een prestatie van de werkgever. Fooien die de werknemer van derden ontvangt, zijn daarom geen loon.Het voorgaande is de hoofdregel, waarop een aantal uitzonderingen bestaat. Indien één van de uitzonderingen van toepassing is, komen fooien in aanmerking voor loonbelasting en premieheffing. Dat is bij:
- horecapersoneel;
- gevallen waarin een garantieloon is vastgesteld. De werknemer ontvangt dan in ieder geval een gegarandeerd loon.
Let op: Een zogenoemde 'fooienbeding' in de arbeidsovereenkomst, inhoudende dat de werknemer ontvangen fooien aan de werkgever moet afdragen, is over het algemeen ongeldig.
Basisloon en garantieloon
Als een garantieloon is afgesproken, verstrekt de werkgever in de regel een lager basisloon dan het garantieloon. Het garantieloon is onderworpen aan sociale premies en belastingen. Verdient de werknemer door de fooien een hoger bedrag dan met het garantieloon, dan vinden de inhoudingen slechts plaats over het garantieloon.Voorbeeld
A is in dienst van B als ober. Hij heeft een garantieloon van € 1.200, waarvan € 1.000 basisloon is. Door de fooien die A krijgt, verdient hij gemiddeld € 1.300. De inhoudingen vinden echter toch niet plaats over € 1.300 maar alleen over het garantieloon van € 1.200. A moet de € 100 zelf opgeven aan de inkomstenbelasting.
A is in dienst van B als ober. Hij heeft een garantieloon van € 1.200, waarvan € 1.000 basisloon is. Door de fooien die A krijgt, verdient hij gemiddeld € 1.300. De inhoudingen vinden echter toch niet plaats over € 1.300 maar alleen over het garantieloon van € 1.200. A moet de € 100 zelf opgeven aan de inkomstenbelasting.
Voorbeeld
A is in dienst van B als reisleider. Hij heeft een garantieloon van € 700, waarvan € 500 het basisloon is. A verdient maar € 150 aan fooi. B moet nu € 50 als aanvullend loon betalen, omdat hij immers € 700 gegarandeerd heeft.
In de cao zijn soms bepalingen opgenomen over vormen van aanvullend loon, bijvoorbeeld over de hoogte en wijze van betaling van vakantiebijslag en het gebruik van een winstuitkering.A is in dienst van B als reisleider. Hij heeft een garantieloon van € 700, waarvan € 500 het basisloon is. A verdient maar € 150 aan fooi. B moet nu € 50 als aanvullend loon betalen, omdat hij immers € 700 gegarandeerd heeft.
Auto van de zaak
Het voordeel dat de werknemer heeft doordat de werkgever aan hem een auto ter beschikking heeft gesteld waarin hij ook in privétijd mag rijden, is een voordeel uit de dienstbetrekking. Deze beloning in natura zal tot het loon moeten worden gerekend. Het bedrag waarop dit voordeel wordt gesteld is een vast percentage van de cataloguswaarde van de auto, namelijk 25% (2004 t/m 2007: 22%). Dit wordt de autokostenbijtelling of de autokostenfictie genoemd. Bij een auto van € 23.000 moet als voordeel € 5.750 worden bijgeteld waarover de afdracht moet worden gedaan. Aan de bijtelling ontkomt hij alleen als er minder dan 500 privékilometers met de auto zijn gereden. Voor de zogeheten zuinige auto's is de bijtelling vanaf 2008 slechts 14%.Tot 2006 moest de werknemer zelf belasting betalen over de autokostenbijtelling door dit voordeel aan te geven in de aangifte voor de inkomstenbelasting. De belastingeheffing hierover ging geheel buiten de werkgever om. Vanaf 1 januari 2006 zal de werkgever de belasting aangeven. De auto van de zaak (lees: de autokostenbijtelling) wordt dan onderdeel van het belaste loon. In wezen betaalt de werknemer dan nog steeds zelf de belasting, maar dan via een andere weg, namelijk door inhouding door de werkgever op het loon. De op jaarbasis berekende autokostenbijtelling moet de werkgever evenredig aan de loontijdvakken toerekenen, veelal zijn dat de 12 kalendermaanden.
Premieheffing werknemersverzekeringen
Over het bedrag van de autokostenbijtelling zijn geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd, net zoals dat vóór 2006 ook niet het geval was. Wel is over de autokostenbijtelling de premie voor de Zorgverzekering verschuldigd (tenzij het bijdrage-maximum van circa € 31.000 al is bereikt).Let op: Werkgevers en werknemers kunnen voor vragen over het privégebruik van een auto van de zaak hiervoor te rade gaan bij het centrale aanspreekpunt binnen de Belastingdienst, een zogenoemd Coördinatiepunt. De vragen kunnen alleen schriftelijk aan het Coördinatiepunt worden voorgelegd. Het adres is: Coördinatiepunt privégebruik auto, Antwoordnummer 403, 7100 WB Winterswijk.
Andere loonafhankelijke regelingen
Het gevolg van de bijtelling van de autokostenbijtelling tot het fiscaal belaste loon (en het loon voor de Zorgverzekeringswet) heeft ook nog andere gevolgen. De autokostenbijtelling gaat ook meetellen voor de 30%-regeling, de gebruikelijk-loonregeling en de afdrachtvermindering loonheffing. Expliciet is gezegd dat de auto niet tot de pensioengrondslag gaat behoren. Evenmin zal de werkgever vanaf 2006 vakantiegeld verschuldigd zijn over de autokostenbijtelling.Let op: De werkgever die BTW-plichtig is, kan de BTW-voordruk die op de aankoopprijs van de auto drukt in sommige gevallen terugvorderen. Voorts wordt de waarde van de auto meegeteld voor de beoordeling of de € 227-grens is gepasseerd bij de toepassing van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting. Dit heeft tot gevolg dat de werkgever na afloop van ieder jaar een BTW-correctie (een extra afdracht) moet doen.
Auto overnemen voor te lage prijs
Bij ontslag of pensionering van de werknemer komt het regelmatig voor dat hij de auto mag overnemen voor een schappelijke prijs; veelal een prijs beneden de werkelijke waarde. Dit voordeel is belast loon en hierover moeten eveneens de loonheffingen (tevens premies werknemersverzekeringen) worden ingehouden.Exploitatiewinst leaseauto
Aan het einde van de looptijd van een leasecontract kan het resultaat worden verrekend met de betreffende werknemer. De rechter oordeelde dat een eventuele winst voor de werknemer (die aan hem wordt uitbetaald door de werkgever) niet tot het loon behoort, en dat de werkgever hierover dan geen loonheffing hoeft in te houden. Medio 2005 oordeelde de Hoge Raad echter anders. Over de aan de werknemer uitbetaalde exploitatiewinst moet de werkgever derhalve wel loonheffingen inhouden. Mocht dit van tevoren zijn te voorzien, dan kan beter onderhandeld worden over lagere leasetermijnen, met als gevolg ook lagere eigen bijdragen van de werknemer.Wanneer autokostenbijtelling
De werkgever moet de autokostenbijtelling bij het loon tellen als:- aan de werknemer een auto;
- ter beschikking is gesteld; en
- (mede) voor het verrichten van het werk; en
- de auto ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt en;
- waarin ook meer dan 500 kilometer privé wordt gereden.
De autokostenbijtelling komt dus niet aan de orde als een auto ter beschikking is gesteld die niet in privé mag worden gebruikt of waarmee minder dan 500 kilometer op jaarbasis is gereden. De werknemer moet wel bewijzen dat hij niet, of minder dan 500 kilometers, met de auto privé heeft gereden.
Directeur-grootaandeelhouder
Voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) en zijn gezin die van meerdere auto's voor privédoeleinden gebruik kunnen maken, hoeft de vennootschap in principe maar voor twee auto's de autokostenbijtelling bij het loon te tellen. Is de DGA alleenstaand of heeft maar één persoon van het gezin (waaronder hijzelf) een rijbewijs, dan is er een bijtelling voor slechts één auto.Tot vóór 2001 moest het gaan om een personenauto. Voor pick-ups, grijze kentekens en busjes met een dubbele cabine gold toen geen autokostenbijtelling. Vanaf 2001 geldt de autokostenbijtelling voor iedere auto, ook voor bestelauto's.
Het maakt verder ook niet uit of de ter beschikking gestelde auto eigendom is van de werkgever of dat dit een geleaste of een gehuurde auto betreft. Bij beide kan er sprake zijn van een ter beschikking gestelde auto en is er een autokostenbijtelling.
Als het voertuig niet als een auto kan worden aangemerkt, dan is er geen autokostenbijtelling. Dit is bijvoorbeeld duidelijk het geval als een motorfiets ter beschikking is gesteld of het betreft een echte bestelauto die niet onder de autokostenbijtelling valt. Maar voor deze voertuigen kan er nog wel sprake zijn van een voordeel dat de werknemer heeft, welk voordeel tot het loon moet worden gerekend. Dat gebeurt niet via een vast percentage van de cataloguswaarde, maar volgens de hoofdregels voor de waardering van loon in natura; de werkelijke waarde van het voordeel berekenen.
Voorbeeld
Aan A is een motorfiets ter beschikking gesteld, en volgens de ANWB zijn de kosten van de motorfiets € 0,35 per kilometer. A rijdt per jaar 5000 kilometer privé met de motorfiets. De werkgever zal € 1.750 als loon in natura bij het loon moeten rekenen. Hierover moet de werkgever de loonheffingen inhouden en afdragen.
Aan A is een motorfiets ter beschikking gesteld, en volgens de ANWB zijn de kosten van de motorfiets € 0,35 per kilometer. A rijdt per jaar 5000 kilometer privé met de motorfiets. De werkgever zal € 1.750 als loon in natura bij het loon moeten rekenen. Hierover moet de werkgever de loonheffingen inhouden en afdragen.
Ter beschikking gesteld
Er is in ieder geval sprake van een 'ter beschikking gestelde' auto, als de auto voor de werknemer bestemd is. In de meeste gevallen gaat het dan om een auto die voortdurend ter beschikking staat en waarmee ook privé gereden mag worden. Ook in de situatie dat collega's met de auto mogen rijden of de auto slechts tijdens werktijden gebruikt wordt door de werknemers, kan er sprake zijn van een ter beschikking gestelde auto. Het komt er eigenlijk op neer dat iedere auto die privé gebruikt kan worden, ter beschikking staat en derhalve onder de bijtelling valt. Dit betekent dat van iedere auto die een werkgever heeft rondrijden, een kilometeradministratie moet worden bijgehouden teneinde de bijtelling op het loon van de werknemer(s) te voorkomen. Dit geldt ook voor de auto die 's avonds met de berijder mee naar huis gaat omdat de werknemer er 's morgens vroeg meteen mee op pad moet of 's nachts beschikbaar moet zijn voor oproepdiensten. Zo ook voor het busje dat 's avonds op het bedrijfsterrein wordt gestald en 's morgens door de werknemers wordt opgehaald. Hij kan er immers tijdens werktijd even mee omrijden om een boodschap te halen. Sinds 2006 is er wel een praktische regeling voor een dergelijke bestelbus.Werknemer is ziek of met vakantie
Als de werknemer langere tijd ziek is of op vakantie met het vliegtuig gaat, staat de auto nog steeds ter beschikking. In dat geval geldt over deze periode nog steeds de autokostenbijtelling. De werknemer kan eventueel over deze periode de autokostenbijtelling voorkomen door de auto bij de werkgever in te leveren. De jurisprudentie is hierover echter niet eenduidig. De werknemer doet er dan ook goed aan, dit eerst af te stemmen met zijn inspecteur.Voor het verrichten van het werk
De autokostenbijtelling komt tevens alleen aan de orde als de auto ter beschikking is gesteld (mede) voor het verrichten van het werk. Zo kon de werknemer die op non-actief was gesteld maar de auto mocht blijft rijden tot de aanvang van zijn pensioen, niet meer volstaan met de autokostenbijtelling. In dat geval moet de werkelijke waarde van de gereden privékilometers bij het loon worden geteld. Dat kan bij veel privékilometers aanzienlijk meer zijn dan de autokostenbijtelling.Meer dan 500 kilometer privé
De autokostenbijtelling komt alleen in zicht als de werknemer meer dan 500 kilometer met de ter beschikking gestelde auto in privé heeft gereden. De 500 kilometer wordt evenredig aan het jaar toegerekend. Iedere 1 januari wordt de teller weer op nul gezet. Degene die pas op 15 december een auto krijgt en hiermee tot en met 31 december nog 480 privékilometers rijdt, wordt dus wel geconfronteerd met de autokostenbijtelling. Omgerekend op jaarbasis rijdt hij immers 11.520 privékilometers (24 halve maanden × 480). Zijn bijtelling is dan 1/24 × cataloguswaarde × 25%.Voorbeeld
B krijgt op 1 mei een andere auto van de werkgever tot zijn beschikking. Dit is een veel duurdere auto, met als gevolg ook een hogere autokostenbijtelling. Hier voelt B niet veel voor. Hij houdt daarom vanaf mei een kilometeradministratie bij. Aan het eind van het jaar blijkt dat B met de nieuwe auto in het geheel geen privékilometers heeft gereden. Met de oude auto had hij echter in de periode vanaf januari tot en met april meer dan 1000 privékilometers gereden. (Vóór 2001 was de grens waarbij geen bijtelling was 1000 privékilometer, vanaf 2001 is dat 500.) De Hoge Raad heeft hier beslist dat de autokostenbijtelling van toepassing is als het privégebruik van de achtereenvolgens ter beschikking gestelde auto's tezamen meer dan 1000 kilometers bedraagt. Daarom krijgt B zowel de autokostenbijtelling voor de oude auto (voor 4/12-deel) als voor de nieuwe auto (voor 8/12-deel).
A heeft al enige jaren een auto van de zaak, maar gaat er pas begin maart 2006 ook privé mee rijden. Hij verkoopt dan ook zijn eigen privé-auto. A overschrijdt de 500-kilometer-grens in dat kalenderjaar. De autokostenbijtelling geldt dan voor heel 2006 en niet slechts 10/12-deel van de autokostenbijtelling. De auto stond hem immers in januari en februari ook al ter beschikking.
B krijgt op 1 mei een andere auto van de werkgever tot zijn beschikking. Dit is een veel duurdere auto, met als gevolg ook een hogere autokostenbijtelling. Hier voelt B niet veel voor. Hij houdt daarom vanaf mei een kilometeradministratie bij. Aan het eind van het jaar blijkt dat B met de nieuwe auto in het geheel geen privékilometers heeft gereden. Met de oude auto had hij echter in de periode vanaf januari tot en met april meer dan 1000 privékilometers gereden. (Vóór 2001 was de grens waarbij geen bijtelling was 1000 privékilometer, vanaf 2001 is dat 500.) De Hoge Raad heeft hier beslist dat de autokostenbijtelling van toepassing is als het privégebruik van de achtereenvolgens ter beschikking gestelde auto's tezamen meer dan 1000 kilometers bedraagt. Daarom krijgt B zowel de autokostenbijtelling voor de oude auto (voor 4/12-deel) als voor de nieuwe auto (voor 8/12-deel).
A heeft al enige jaren een auto van de zaak, maar gaat er pas begin maart 2006 ook privé mee rijden. Hij verkoopt dan ook zijn eigen privé-auto. A overschrijdt de 500-kilometer-grens in dat kalenderjaar. De autokostenbijtelling geldt dan voor heel 2006 en niet slechts 10/12-deel van de autokostenbijtelling. De auto stond hem immers in januari en februari ook al ter beschikking.
Dubbele leasecontracten
Bij dubbele leasecontracten wordt via één contract de auto voor de zakelijke kilometers aan de werkgever geleast en via een ander contract voor de privéritten aan de werknemer verhuurd.Ook dit is een 'ter beschikking gestelde' auto, ondanks het feit dat de werknemer zelf het gehele privégebruik betaalt. Op de autokostenbijtelling kan wel de gehele huursom die hij voor de privéritten betaalt, in mindering worden gebracht.
Hoeveel bijtelling
De werknemer aan wie een personenauto ter beschikking is gesteld, krijgt een bijtelling op zijn loon waarover de werkgever de loonheffingen (excl. premies werknemersverzekeringen) moet inhouden en afdragen. Deze bijtelling wordt als volgt berekend: 25% van de cataloguswaarde. In de jaren 2004 tot en met 2007 was het 22%.Voor bestelauto's geldt mogelijk een andere regeling.
Voorbeeld
Aan A is een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 25.000. De autokostenbijtelling bedraagt per jaar € 6.250 (25% van € 25.000). 1/12 van dit bedrag moet de werkgever maandelijks bij het doen van de aangifte bij het loon tellen = € 521 per maand. Bij een belastingtarief van bijvoorbeeld 42% (tarief derde schijf) is de verschuldigde loonbelasting hierover € 219 per maand. Verder zijn hierover 7,2% premies voor de Zorgverzekeringswet verschuldigd (die de werkgever aan A moet vergoeden), tenzij het bijdrage-maximum al is bereikt.
De werknemer krijgt in principe automatisch de 25%-bijtelling. Alleen als hij weet te bewijzen dat hij minder dan 500 privékilometers heeft gereden, ontkomt hij aan de bijtelling. De enige manier om dit bewijzen is in wezen aan de hand van een sluitende kilometeradministratie die voldoet aan de betreffende eisen. Is de auto echter niet geschikt voor privéritten of is er een verbod op privégebruik, dan is er ook geen bijtelling.Aan A is een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 25.000. De autokostenbijtelling bedraagt per jaar € 6.250 (25% van € 25.000). 1/12 van dit bedrag moet de werkgever maandelijks bij het doen van de aangifte bij het loon tellen = € 521 per maand. Bij een belastingtarief van bijvoorbeeld 42% (tarief derde schijf) is de verschuldigde loonbelasting hierover € 219 per maand. Verder zijn hierover 7,2% premies voor de Zorgverzekeringswet verschuldigd (die de werkgever aan A moet vergoeden), tenzij het bijdrage-maximum al is bereikt.
Zuinige auto's
Zuinige auto's zijn goed voor het milieu en daarom wordt het gebruik van deze auto's geprefereerd boven het gebruik van de niet-zuinige auto's. Voor deze auto's geldt vanaf 1 januari 2008 daarom een geringere bijtelling, namelijk slechts 14%. Een zuinige auto is een auto met een CO2-uitstoot beneden een bepaalde maximumgrens. Voor een auto die op diesel rijdt is dat een CO2-uitstoot die niet boven de 95 gram per kilometer uitkomt. Voor andere auto's is de bovengrens bij 110 gram per kilometer. Begin 2008 waren de auto's die als zuinige auto kwalificeren: de Toyota Prius, de Citroën C1, de Daihatsu Cuore 1.0 (109), de Honda Civic Hybride, de Peugeot 107, de Toyota Aygo en de Smart fortwo MHD. Ook de dieseluitvoering van de Smart fortwo (CDI) is milieuvriendelijk.Mocht de werknemer met een dergelijke zuinige auto minder dan 500 privékilometers hebben gereden, dan is er uiteraard geen bijtelling.
Meer werknemers met één auto
Als meer dan één werknemer gebruik maakt van een bepaalde auto, wort de autokostenbijtelling naar rato verdeeld. In totaal hebben zij samen dan 100% van de autokostenbijtelling. Dit heeft de rechter geoordeeld in een zaak waarin een echtpaar bij dezelfde werkgever werkte en samen een auto ter beschikking gesteld hadden gekregen.Auto staat gedeelte van het jaar ter beschikking
Om de autokostenbijtelling te voorkomen, mag het hele kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer met de ter beschikking gestelde auto('s) zijn gereden. De teller wordt telkens op 1 januari op nul gezet. De 500 kilometer wordt evenredig aan het jaar toegerekend.Voorbeeld
A krijgt pas op 15 december een auto en rijdt hiermee tot en met 31 december nog 480 privékilometers, A wordt wel geconfronteerd met de autokostenbijtelling. Omgerekend op jaarbasis rijdt hij immers 11.520 privékilometers (24 halve maanden × 480). De bijtelling op zijn loon is dan 1/24 × cataloguswaarde × 22%.
B heeft gedurende het hele kalenderjaar een auto van de zaak waarmee hij slechts 450 privékilometers rijdt (grondslag bijtelling privégebruik auto € 50.000). Daarnaast heeft hij in de periode juni tot en met augustus nog een andere auto van de werkgever (grondslag bijtelling privégebruik auto € 40.000), waarmee hij in deze periode slechts 30 privékilometers rijdt. Omgerekend naar een heel jaar zou hij 12/3 x 30 = 120 kilometer privé rijden. Omdat hij op kalenderjaarbasis met beide auto's in totaal 570 privékilometers rijdt, moet de werkgever wél privégebruik berekenen en bijtellen. Voor de eerste auto is dit 25% x € 50.000 = € 12.500. Voor de tweede auto is dit 3/12 x 25% x € 40.000 = € 2.500. In totaal berekent de werkgever voor B dus een bijtelling voor privégebruik auto van € 15.000.
C rijdt het hele kalenderjaar in een auto van de zaak. Tot 1 juli heeft hij 600 privékilometers gereden, maar vanaf 1 juli rijdt hij geen privékilometers meer met deze auto. Toch moet de werkgever over het hele jaar bijtellen, want de 500-grens is overschreden en de auto stond hem ook het hele jaar ter beschikking.
A krijgt pas op 15 december een auto en rijdt hiermee tot en met 31 december nog 480 privékilometers, A wordt wel geconfronteerd met de autokostenbijtelling. Omgerekend op jaarbasis rijdt hij immers 11.520 privékilometers (24 halve maanden × 480). De bijtelling op zijn loon is dan 1/24 × cataloguswaarde × 22%.
B heeft gedurende het hele kalenderjaar een auto van de zaak waarmee hij slechts 450 privékilometers rijdt (grondslag bijtelling privégebruik auto € 50.000). Daarnaast heeft hij in de periode juni tot en met augustus nog een andere auto van de werkgever (grondslag bijtelling privégebruik auto € 40.000), waarmee hij in deze periode slechts 30 privékilometers rijdt. Omgerekend naar een heel jaar zou hij 12/3 x 30 = 120 kilometer privé rijden. Omdat hij op kalenderjaarbasis met beide auto's in totaal 570 privékilometers rijdt, moet de werkgever wél privégebruik berekenen en bijtellen. Voor de eerste auto is dit 25% x € 50.000 = € 12.500. Voor de tweede auto is dit 3/12 x 25% x € 40.000 = € 2.500. In totaal berekent de werkgever voor B dus een bijtelling voor privégebruik auto van € 15.000.
C rijdt het hele kalenderjaar in een auto van de zaak. Tot 1 juli heeft hij 600 privékilometers gereden, maar vanaf 1 juli rijdt hij geen privékilometers meer met deze auto. Toch moet de werkgever over het hele jaar bijtellen, want de 500-grens is overschreden en de auto stond hem ook het hele jaar ter beschikking.
Wachtdiensten
Een wachtdienst is een bepaalde periode waarbinnen een werknemer oproepbaar is, doorgaans aan de hand van een roulatiesysteem. Als een werknemer tijdens een wachtdienst een auto van de zaak gebruikt voor familiebezoek, is het karakter van die rit privé. Het karakter van de rit kan echter gedeeltelijk wijzigen in zakelijk als de werknemer aldaar een oproep van zijn werkgever ontvangt. In zo'n geval zijn alleen de eerste kilometers privé.Gemakshalve en ter wille van de eenvoud, is goedgekeurd dat als een werknemer voor een wachtdienst een auto van de zaak krijgt, alle gereden kilometers tijdens deze wachtdienst als zakelijk worden aangemerkt. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
- De werknemer heeft geen invloed op de keuze van de aangeschafte auto.
- De werknemer beschikt privé over een auto die voor privégebruik evenzeer of zelfs meer geschikt is dan de auto van de zaak.
- De werknemer is verplicht tijdens de wachtdienst binnen een redelijke afstand van zijn woonplaats te blijven.
- Het aantal kilometers dat tijdens de wachtdienst wordt gereden en de daarbij behorende arbeidsplaats(en) worden bijgehouden. De gereden kilometers dienen te worden bijgehouden onder vermelding van bijvoorbeeld 'piket' of 'wachtdienst'.
Cataloguswaarde
Onder de cataloguswaarde wordt verstaan de prijs van de auto zoals die in de officiële prijslijsten van het jaar waarin de auto voor het eerst geleverd werd, voorkomt (inclusief omzetbelasting en BPM). Anders gezegd: de prijs van de auto op het moment dat deze de fabriek uit wordt gereden (inclusief omzetbelasting en BPM). Dit is hetzelfde moment als waarop aan een auto een kenteken wordt toegewezen (afgifte van deel I). Als cataloguswaarde geldt de Nederlandse cataloguswaarde, ook als de auto in het buitenland is gekocht en aldaar een lagere cataloguswaarde geldt.Ligt er een periode tussen het moment van bestellen en het moment van leveren, en heeft er in die tijd een prijswijziging voorgedaan, dan geldt de cataloguswaarde op het moment van leveren. Dat is immers het moment waarop het kenteken wordt toegewezen.
Let op: Voor personenauto's is de cataloguswaarde inclusief de betaalde BPM bij aflevering. Voor bestelauto's gold voor die auto's waarvoor het kentekenbewijs deel 1 was afgegeven vóór 1 juli 2005, de cataloguswaarde exclusief de BPM. Is het kentekenbewijs afgegeven op of na 1 juli 2005, dan wordt voor de berekening van de autokostenbijtelling uitgegaan van de catalogusprijs inclusief BTW en BPM, net als bij personenauto's.
Accessoires
Worden er accessoires bijgeleverd, dan is de cataloguswaarde inclusief deze extra voorzieningen het uitgangspunt. Ook als de importeur deze er al dan niet tijdelijk heeft afgehaald en vervangen door goedkopere versies. Worden bijvoorbeeld de radio, de stuurbekrachtiging, de elektrische raambediening, de carkit, het navigatiesysteem en het schuifdak pas later aangebracht, door bijvoorbeeld de dealer, dan geldt eveneens de cataloguswaarde inclusief deze voorzieningen. Alleen in de situatie dat er extra accessoires worden aangebracht die niet standaard door de betreffende fabrikant worden geleverd (en dus voor een dergelijke auto geen officiële catalogusprijs bestaat), blijven deze buiten de cataloguswaarde. Eind 2006 is echter besloten dat alle accessoires die niet door de fabrikant en/of importeur zijn aangebracht, niet meetellen in de cataloguswaarde. Het gaat dan echter om de auto's die op óf na 1 juli 2006 zijn tenaamgesteld. Concreet betekent dit dat de autokostenbijtelling, die immers van de cataloguswaarde is afgeleid, voor deze auto's lager is dan zonder deze maatregel.In de jaren 2004 en 2005 telden BPM-vrije accessoires niet mee voor het bepalen van de fiscale cataloguswaarde. Dit betekende dan ook een geringere bijtelling en dus ook een geringere belastingafdracht. Vanaf 1 januari 2006 is deze vrijstelling ingetrokken. Voor 2006 moet de bijtelling dan ook worden berekend over de oorspronkelijke cataloguswaarde, mits deze maar door de fabrikant of importeur zijn aangebracht.
Navigatiesysteem
Soms kan een navigatiesysteem worden aangemerkt als een zogenoemde BPM-vrije accessoire. In dat geval behoort een bedrag van € 1.250 niet tot de cataloguswaarde; ongeacht of het navigatiesysteem voorkomt op de door de fabrikant of importeur vastgestelde prijslijst. Als het navigatiesysteem duurder is dan dit bedrag, dan kan afhankelijk van het al dan niet voorkomen van het navigatiesysteem in de door de fabrikant of importeur vastgestelde prijslijst, het meerdere wel tot de cataloguswaarde van de auto behoren. Het doel van deze regeling is om navigatiesystemen te stimuleren, zodat mensen niet nodeloos rondrijden om hun te bezoeken adres te vinden.Tweedehands auto's en oldtimers
Voor auto's ouder dan 15 jaar wordt niet 25% berekend over de cataloguswaarde, maar over de werkelijke waarde. Als richtsnoer hiervoor kan onder meer de aanschafwaarde plus kosten van restauratie, de verzekerde waarde of de veilingwaarde dienen.Let op: Voor oldtimers die op 1 april van het jaar ouder zijn dan 25 jaar, geldt een vrijstelling voor het betalen van de motorrijtuigenbelasting. De bijtelling blijft echter gewoon van toepassing.
Bestelauto's
Voor echte bestelauto's is er geen autokostenbijtelling. Wel moet van de eventueel gereden privékilometers de werkelijke kilometerprijs bij het loon als voordeel worden aangegeven: bijvoorbeeld 312 privékilometers × € 0,65 = € 202,80.Maar wat is nou een echte bestelauto? Onder de echte bestelauto wordt verstaan de bestelauto die uitsluitend is ingericht om goederen te vervoeren. Gedacht kan dan worden aan sommige serviceauto's, waarin naast de bestuurder alleen plaats is voor gereedschappen en reserveonderdelen. Is er dus een voorbank of zijn er twee voorstoelen, dan is de bestelauto niet uitsluitend ingericht om goederen te vervoeren, en is het geen echte bestelauto. De echte bestelauto hoeft, teneinde als een echte bestelauto te worden aangemerkt, vanaf 2002 geen geblindeerde zijruit aan de rechterzijde van de laadruimte meer te hebben.
Is er wel plaats voor een tweede persoon in de auto, dan is het geen echte bestelauto. En de niet-echte bestelauto's (verder in deze paragraaf gewoon 'bestelauto') ook te maken met de autokostenbijtelling. Vanwege de aanzienlijk hoge cataloguswaarde van een bestelauto, kwamen deze enkele jaren in aanmerking voor een bijtelling van slechts 2,5% of 10%. Vanaf 2004 geldt ook voor de niet-echte bestelauto een bijtelling van 25%.
Voor de bestelauto die niet buiten werktijd kan worden gebruikt (de bestelauto die 'achter het hek' blijft) of de bestelauto waarvoor een verbod op privégebruik geldt, mag de autokostenbijtelling achterwege blijven.
Van een verbod op privégebruik is sprake indien :
- het verbod schriftelijk is vastgelegd;
- de werkgever de vastlegging van het verbod bij de loonadministratie bewaart;
- de werkgever voldoende toezicht houdt op de naleving van het verbod, en
- de werkgever een passende sanctie oplegt indien het verbod wordt overtreden.
Let op: De werkgever kan over de vraag of hij voldoende toezicht houdt op het verbod om privé met de auto te mogen rijden, afspraken maken met de Belastingdienst. Hij kan er dan later niet op worden aangesproken dat hij onvoldoende toezicht hield op de naleving van het verbod.
Voor de bestelauto die niet buiten werktijd kan worden gebruikt en de bestelauto waarvoor een verbod op privégebruik geldt, is uiteraard dan ook geen kilometeradministratie nodig. Mocht een werknemer toch een privérit met de bestelauto maken, bijvoorbeeld een vriend met een verhuizing helpen of een nieuw meubelstuk ophalen, dan moet de werkelijke waarde van het privégebruik worden belast.Voorbeeld
Werknemer A heeft in de pauze 50 kilometers met de bestelauto gereden om zijn nieuwe koelkast op te halen. Stel dat volgens de statistieken de kilometerprijs met die bestelauto € 0,63 is, dan is A's werkelijke voordeel € 31,50 (50 × 0,63), dat tot zijn loon moet worden gerekend en waarover de loonheffingen moeten worden ingehouden.
Voor de bestelauto die doorlopend afwisselend aan verschillende werknemers ter beschikking wordt gesteld, mag de werkgever volstaan met een eenmalige eindheffing per bestelauto per jaar van € 300. Met deze praktische regel is de werkgever verlost van het bijtellen bij alle gebruikers van de bestelauto van de autokostentelling, óf ter voorkoming van deze bijtelling van ieder een kilometeradministratie op te vragen. Het bedrag van € 300 geldt per bestelauto en op jaarbasis. Dit betekent dat als een dergelijke bestelauto halverwege het jaar in gebruik wordt genomen, de eindheffing voor de tweede helft van het jaar in totaal € 150 bedraagt.Werknemer A heeft in de pauze 50 kilometers met de bestelauto gereden om zijn nieuwe koelkast op te halen. Stel dat volgens de statistieken de kilometerprijs met die bestelauto € 0,63 is, dan is A's werkelijke voordeel € 31,50 (50 × 0,63), dat tot zijn loon moet worden gerekend en waarover de loonheffingen moeten worden ingehouden.
Voorbeeld
Bij installatiebedrijf X wordt de bestelauto op maandag gebruikt door werknemer A, op dinsdag door werknemer B, op woensdag weer door A en op donderdag en vrijdag door C. Hier wordt de bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt en kan de werkgever volstaan met een eenmalige eindheffing van € 300. De situatie dat de bestelauto bijvoorbeeld een kwartaal wordt gebruikt door werknemer A en het volgende kwartaal door werknemer B is geen doorlopend afwisselend gebruik en dan kan niet volstaan worden met een eenmalige eindheffing van € 300.
De € 300 eindheffing is onafhankelijk van het loonniveau van de verschillende werknemers die de bestelauto gebruiken. Dit vaste bedrag aan eindheffing wordt op de loonaangifte verantwoord bij de rubriek Loon met een bestemmingskarakter.Bij installatiebedrijf X wordt de bestelauto op maandag gebruikt door werknemer A, op dinsdag door werknemer B, op woensdag weer door A en op donderdag en vrijdag door C. Hier wordt de bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt en kan de werkgever volstaan met een eenmalige eindheffing van € 300. De situatie dat de bestelauto bijvoorbeeld een kwartaal wordt gebruikt door werknemer A en het volgende kwartaal door werknemer B is geen doorlopend afwisselend gebruik en dan kan niet volstaan worden met een eenmalige eindheffing van € 300.
Bij het coördinatiepunt (Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto, Antwoordnummer 403, 7100 WB Winterswijk) kan de werkgever desgewenst antwoord krijgen op vragen over afspraken over het gebruik van een bestelauto, zoals het doorlopend en afwisselend gebruik van de auto. Voor algemene vragen over het privégebruik van de auto moet het eigen belastingkantoor worden benaderd.
De € 300 eindheffingregeling kan niet op personenauto's worden toegepast.
Autodealers
Werknemers van autodealers maken relatief vaak gebruik van demonstratieauto's waarvan de catalogusprijs onderling (aanzienlijk) verschilt; zij rijden zowel in de goedkoopste als in de duurste uitvoering van een of meer types. In principe zouden zij voor iedere auto de autokostenbijtelling krijgen, weliswaar naar tijdsgelang (tenzij zij minder dan 500 privékilometers op jaarbasis rijden). Dus een week in auto A, daarna 2,5 week in auto B en dan 3 dagen in auto C. Dat vergt heel wat administratieve vastleggingen. Om dit te voorkomen is er voor hen een praktische regeling: het Autodealerbesluit. Per salarisklasse is er per automerk een vaste bijtelling dat bij het loon van de betreffende werknemer moet worden geteld. Werkgevers die dit besluit willen toepassen, moeten zich wenden tot de Coördinatiepersoon autobranche, mr. ing. J.J.M. Hezemans, Belastingdienst Oost Brabant/Kantoor Eindhoven, Postbus 90058, 5600 PL Eindhoven.Per 1 november 2008 vervalt deze regeling en komt er een andere regeling voor in de plaats.
Onder vergelijkbare omstandigheden kunnen ook andere werkgevers voor hun werknemers vergelijkbare collectieve afspraken maken. Deze werkgevers kunnen hun verzoek richten aan de inspecteur waaronder zij ressorteren. De inspecteur stemt het verzoek dan af met de coördinator.
Eigen bijdrage
Als de werknemer een bijdrage moet betalen aan de werkgever, dan kan dit van de autokostenbijtelling worden afgetrokken. Met eigen bijdrage was tot 2006 altijd bedoeld de bijdrage die de werknemer moest betalen omdat hij privéritten met de auto maakte, zoals de vakantie naar Frankrijk en in het weekeinde naar familie en ander vertier. Expliciet gold dat bijdragen die hij aan de werkgever moest betalen omdat hij een duurdere auto wilde dan door zijn werkgever was toegestaan, niet aftrekbaar waren. Dit waren in de ogen van de wetgever namelijk geen bijdragen voor privégebruik, maar bijdragen 'vanwege een duurdere auto willen hebben'. Begin 2006 is na enige commotie toch goedgekeurd dat eigen bijdragen vanwege het overschrijden van de leasenorm aftrekbaar zijn. Verder kan gedacht worden aan bijdragen voor parkeerkosten, accessoires, de afkoopsom van het leasebedrag bij het einde van de dienstbetrekking en een vast bedrag per gereden privékilometer. Voor de eigen bijdrage van de werknemer bij schade geldt een aanvullende voorwaarde: de schade mag niet het gevolg zijn van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen van de werknemer.Let op: Een eigen bijdrage verlaagt weliswaar de bijtelling, dus is per saldo minder loonheffing verschuldigd, maar de werknemer is altijd duurder af dan zonder eigen bijdrage. De werkgever is uiteraard goedkoper af.
Voorbeeld
Aan A is een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 20.000. Voor het privégebruik betaalt hij maandelijks € 75 aan de werkgever = € 900 per jaar. De bijtelling voor het kalenderjaar bedraagt 25% van € 20.000 = 5.000.
Stel dat A 's 'toptarief' 52% is. Met eigen bijdrage zijn zijn kosten per jaar in totaal € 900 + 52% van € 4.100 (5.000 - 900) = € 3.032 per jaar voor de auto. In het geval hij geen eigen bijdrage hoeft te betalen, is de inhouding op zijn loon 52% van € 5.000 = € 2.600 per jaar. Zonder eigen bijdrage is A goedkoper uit.
Aan A is een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 20.000. Voor het privégebruik betaalt hij maandelijks € 75 aan de werkgever = € 900 per jaar. De bijtelling voor het kalenderjaar bedraagt 25% van € 20.000 = 5.000.
Stel dat A 's 'toptarief' 52% is. Met eigen bijdrage zijn zijn kosten per jaar in totaal € 900 + 52% van € 4.100 (5.000 - 900) = € 3.032 per jaar voor de auto. In het geval hij geen eigen bijdrage hoeft te betalen, is de inhouding op zijn loon 52% van € 5.000 = € 2.600 per jaar. Zonder eigen bijdrage is A goedkoper uit.
Bijdrage is hoger dan de bijtelling
Als de eigen bijdrage hoger is dan de autokostenbijtelling, wordt het totale voordeel op jaarbasis van de auto minimaal op nihil gewaardeerd. De autokostenbijtelling kan per saldo op jaarbasis nooit een aftrekpost vormen. Wel mag over een bepaald loontijdvak een negatief bedrag worden meegenomen. Maar zodra blijkt dat het saldo op kalenderjaarbasis negatief is, dient dit hersteld te worden met één of meer correctieberichten.Voorbeeld
A (van het hiervoor genoemde voorbeeld) betaalt voor het privégebruik maandelijks € 375 aan de werkgever. De jaarlijkse bijtelling wordt op minimaal nihil gesteld en niet op - € 500 (25% van € 20.000 - 12 maal € 375).
A (van het hiervoor genoemde voorbeeld) betaalt voor het privégebruik maandelijks € 375 aan de werkgever. De jaarlijkse bijtelling wordt op minimaal nihil gesteld en niet op - € 500 (25% van € 20.000 - 12 maal € 375).
Let op: Een verlaging van het brutoloon, in wezen een loonkorting, wordt niet als eigen bijdrage aangemerkt. Een dergelijke 'eigen bijdrage' kan niet in mindering worden gebracht op de autokostenbijtelling. Alleen de eigen bijdrage van de werknemer die van het nettoloon wordt betaald, kan in mindering worden gebracht op de autokostenbijtelling.
Aan derden betaalde kosten
De aftrekbare eigen bijdragen, zijn de bijdragen die betaald zijn aan de werkgever en niet de aan derden betaalde bedragen, zoals brandstofkosten of de motorrijtuigenbelasting. Evenmin de verkeersboetes, ook al diende het te hard rijden of rechts inhalen het zakelijke belang, want zo werd de order op tijd afgeleverd.Let op: De werkgever kan wel alle aan derden betaalde kosten, zoals motorrijtuigenbelasting, brandstof, onderhoud, vervoerkosten autoslaaptrein, tolgeld, parkeergelden en dergelijke, onbelast vergoeden.
Indien de werkgever hiertoe niet wil overgaan, kan overwogen worden een onbelaste vergoeding te verstrekken in ruil voor een extra eigen bijdrage van de werknemer. Deze eigen bijdrage, mits betaald voor het privégebruik, kan immers in mindering worden gebracht op de autokostenbijtelling. Niet-aftrekbare kosten worden zo getransformeerd in een aftrekpost.Geen autokostenbijtelling
Verzoeken om een vermindering van de autokostenbijtelling, omdat bijvoorbeeld de bijtelling onevenredig hoog is in verhouding tot het privégebruik, of omdat de werknemer per se in een zeer dure auto moet rijden, hebben geen zin. Hier wordt op geen enkele wijze aan tegemoet gekomen. Evenmin als de werknemer zelf al een privéauto heeft. Slechts door het bijhouden van een kilometeradministratie en nog in enkele bijzondere situaties, kan men de dans ontspringen. De autokostenbijtelling komt alleen dán niet aan de orde als er:- minder dan 500 kilometer privé met de auto is gereden; of
- er een verbod is om met de auto privéritten te maken.
Auto's die duidelijk nooit voor privéritten zullen worden gebruikt, zoals een politieauto, een ambulance of een begrafenisauto, ontspringen zonder meer de dans. Voorwaarde hierbij is wel dat 'de auto' in aanmerking komt voor teruggaaf van de BPM. Voor een dergelijke auto hoeft dus ook geen kilometeradministratie te worden bijgehouden.
Als aan de werknemer twee auto's ter beschikking zijn gesteld, moet de werknemer voor beide auto's een kilometeradministratie bijhouden als hij niet geconfronteerd wil worden met een autokostenbijtelling voor de twee auto's.Minder dan 500 kilometer
Bij minder dan 500 privékilometers op jaarbasis met de auto rijden is er in het geheel geen autokostenbijtelling bij het loon. Vóór 2001 moesten degenen die minder dan 1000 kilometer (toen was dat de grens) privé reden, de werkelijke waarde van de kilometers bij het inkomen tellen en hierover belasting betalen; bijvoorbeeld 900 kilometer maal € 0,36. Nu hoeft er niets meer te worden aangegeven. Heeft de werknemer slechts een rit met de auto gemaakt voor een weekendje Utrecht, dan wordt ter zake van het voordeel dat hij dit met de bedrijfsauto heeft gereden (dus in privé geen kosten hiervoor heeft moeten maken) niets belast.Om de autokostenbijtelling te voorkomen, mag het hele kalenderjaar niet meer dan 500 kilometer met de ter beschikking gestelde auto('s) zijn gereden. De teller wordt telkens op 1 januari op nul gezet. De 500 kilometer wordt evenredig aan het jaar toegerekend. Degene die pas op 15 december een auto krijgt en hiermee tot en met 31 december nog 480 privékilometers rijdt, wordt dus wel geconfronteerd met de autokostenbijtelling. Omgerekend op jaarbasis rijdt hij immers 11.520 privékilometers (24 halve maanden × 480). De bijtelling op zijn loon is dan 1/24 × cataloguswaarde × 25% (14% bij een zuinige auto).
De werknemer moet kunnen aantonen dat hij op jaarbasis minder dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden teneinde de bijtelling te voorkomen. De meest veilige manier is hiervoor een sluitende kilometeradministratie. De werkgever moet deze opvragen aan de werknemer. Maar lukt dat wel op tijd? De autokostenbijtelling ter zake van het privégebruik in april moet worden opgeteld bij het loon over april en de loonheffing over de bijtelling moet op dit loon worden ingehouden. Heeft de werknemer een complete kilometeradministratie over april bij de inhouding van de loonheffing op bijvoorbeeld 23 april? En wat te doen als de werknemer het niet zo nauw neemt met een juiste administratie. Is deze fout, dan krijgt de werkgever de financiële gevolgen op zijn bord (naheffingsaanslag + eventueel boete). Deze onzekerheid voor de werkgever kan worden weggehaald met de zogenoemde verklaring geen privégebruik.
Als de werknemer de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden gebruikt, dan kan hij een soort vrijwaringsbewijs van de Belastingdienst krijgen voor de autokostenbijtelling: de zogenoemde Verklaring geen privégebruik. Een kopie hiervan moet hij afstaan aan zijn werkgever die vervolgens geen rekening hoeft te houden met de autokostenbijtelling. Let wel: de werknemer is hiermee niet vrijgesteld van het bijhouden van een kilometeradministratie. Door de aanvraag van de verklaring heeft hij alleen aangegeven de auto op jaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden te gebruiken. Maar het bewijs moet hij de Belastingdienst nog wel leveren aan de hand van een kilometeradministratie. De aanvraag voor de verklaring kan via www.belastingdienst.nl worden gedownload.
Mocht de Belastingdienst negatief op de aanvraag om de verklaring geen privégebruik beslissen, dan kan de werknemer daartegen in bezwaar gaan.
De volgende wetenswaardigheden over de verklaring zijn nog van belang:
- Een verklaring wordt niet per auto, maar per werknemer afgegeven.
- Een verklaring is in principe voor onbepaalde tijd geldig.
- Krijgt de werknemer in de loop van het jaar een nieuwe auto ter beschikking, dan hoeft hij dus geen nieuwe verklaring aan te vragen. De werknemer heeft immers al een verklaring.
- Als de werknemer van baan verandert, dan hoeft hij voor de nieuwe auto van de zaak bij de nieuwe werkgever geen nieuwe verklaring aan te vragen, omdat de eerder afgegeven verklaring per werknemer geldt en niet per auto, én omdat de verklaring in principe voor onbepaalde tijd geldt. De werknemer moet wel de kentekenwijziging doorgeven met het formulier wijziging of intrekking verklaring geen privégebruik auto.
- Als een werknemer een verklaring heeft en deze overhandigt aan zijn werkgever, dan moet de werkgever op grond hiervan de bijtelling achterwege laten en code 2 vermelden in de aangifte loonheffingen. Hij mag alleen geen rekening houden met een verklaring als hij weet dat de werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 500 privékilometers rijdt met een auto van de zaak.
- Een verklaring wordt niet met terugwerkende kracht afgegeven. De werkgever mag de verklaring pas gebruiken vanaf het eerstvolgende loontijdvak waarover hij het loon moet uitbetalen en kan dus pas vanaf dat tijdvak de bijtelling achterwege laten. Hij mag evenmin corrigeren voor loontijdvakken waarover de werknemer al loon heeft ontvangen.
Verklaring ten onrechte aangevraagd
Is de verklaring ten onrechte aangevraagd, dan wordt deze met terugwerkende kracht ingetrokken. De Belastingdienst legt dan de hierbij behorende naheffingsaanslag (vanwege ten onrechte niet afgedragen loonheffing) op aan de werknemer. De werknemer kan hierbij ook een boete krijgen. Bij opzet is deze al snel 50% van de naheffing.De werkgever is hierbij dus niet aansprakelijk (hetgeen normaliter wel is bij ten onrechte niet afgedragen loonheffing), en dat is ook het bestaansrecht voor de verklaring. Zelfs de naheffingsaanslag met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt aan de werknemer opgelegd. En hierbij is de werkgever niet verplicht om over het nageheven loon ter zake van de autokostenbijtelling, de verplichte bijdrage voor de Zorgverzekeringswet te vergoeden. Het mag overigens wel.
In alle situaties dat de Belastingdienst de verklaring intrekt, zal hij de werkgever daarvan op de hoogte stellen. De werkgever moet dan de autokostenbijtelling voor het vervolg tijdsevenredig toepassen.
Voorbeeld
A is in dienstbetrekking bij X. A krijgt van X per 1 januari 2006 een auto ter beschikking gesteld voor het maken van dienstreizen. A vraagt de Belastingdienst op 30 januari 2006 om afgifte van een "verklaring geen privé gebruik" (hierna: de verklaring) die hij op 3 februari 2006 ontvangt. Op 2 maart 2006 verzoekt A de verklaring in te trekken. De reden hiervoor is dat A door wijziging van zijn functie per 1 maart 2006 meer en onregelmatiger gebruik zou gaan maken van de hem ter beschikking gestelde auto, waardoor het voor hem nagenoeg ondoenlijk werd om een sluitende rittenadministratie bij te houden. Op 1 maart 2006 verkoopt hij ook zijn eigen privé-auto. A overschrijdt vervolgens de 500-kilometer-grens, zodat de 22%-autokostenbijtelling in 2006 van toepassing is.
De Belastingdienst trekt per 1 maart de verklaring in en legt aan A tevens een naheffingsaanslag loonbelasting op over de periode 1 januari 2006 tot en met 26 februari 2006 voor een bedrag van € 441,38. Hier is A het niet eens, omdat hij in deze periode geen privégebruik van de auto maakte. De rechter houdt de naheffingsaanslag in stand. Het doet immers niet ter zake dat A de auto niet gebruikte in die twee maanden. De auto stond ter beschikking en dat is van belang. En alleen als de auto op jaarbasis minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, is er geen bijtelling.
A is in dienstbetrekking bij X. A krijgt van X per 1 januari 2006 een auto ter beschikking gesteld voor het maken van dienstreizen. A vraagt de Belastingdienst op 30 januari 2006 om afgifte van een "verklaring geen privé gebruik" (hierna: de verklaring) die hij op 3 februari 2006 ontvangt. Op 2 maart 2006 verzoekt A de verklaring in te trekken. De reden hiervoor is dat A door wijziging van zijn functie per 1 maart 2006 meer en onregelmatiger gebruik zou gaan maken van de hem ter beschikking gestelde auto, waardoor het voor hem nagenoeg ondoenlijk werd om een sluitende rittenadministratie bij te houden. Op 1 maart 2006 verkoopt hij ook zijn eigen privé-auto. A overschrijdt vervolgens de 500-kilometer-grens, zodat de 22%-autokostenbijtelling in 2006 van toepassing is.
De Belastingdienst trekt per 1 maart de verklaring in en legt aan A tevens een naheffingsaanslag loonbelasting op over de periode 1 januari 2006 tot en met 26 februari 2006 voor een bedrag van € 441,38. Hier is A het niet eens, omdat hij in deze periode geen privégebruik van de auto maakte. De rechter houdt de naheffingsaanslag in stand. Het doet immers niet ter zake dat A de auto niet gebruikte in die twee maanden. De auto stond ter beschikking en dat is van belang. En alleen als de auto op jaarbasis minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, is er geen bijtelling.
Let op: De naheffingsaanslag wordt wel aan de werkgever opgelegd indien deze weet dat de mededeling van de werknemer dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, niet juist is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een vooropgezet plan tussen de werkgever en de werknemer over het ten onrechte verzoeken van een verklaring.
Wijziging Verklaring geen privégebruik
Een werknemer die een verklaring geen-privégebruik heeft gekregen hoeft pas weer in actie te komen richting Belastingdienst op het moment waarop het voor hem duidelijk wordt dat hij meer dan 500 km privé per jaar gaat rijden. Hiertoe moet hij een wijzigingsformulier invullen en inleveren bij de Belastingdienst. Dit kan ook rechtstreeks via de site van de Belastingdienst. Binnen acht weken krijgt de werknemer bericht van de Belastingdienst over de wijziging of intrekking van de verklaring. Als de verklaring wordt ingetrokken, moet de werknemer zijn werkgever zo spoedig mogelijk informeren. Maar de werkgever krijgt ook een brief van de Belastingdienst waarin staat dat de verklaring is ingetrokken en wat hiervan de gevolgen voor hem zijn. Is de grens van 500 kilometer overschreden, dan moet de werkgever de waarde van het privégebruik bij het loon tellen. Voor de voorafgaande periode krijgt de werknemer een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw), eventueel verhoogd met heffingsrente en boete. De werkgever hoeft deze inkomensafhankelijke bijdrage Zvw niet te vergoeden!Verder moet een wijzigingsformulier ook worden ingevuld als de werknemer een andere auto krijgt of als er geen auto van de zaak meer voor hem is.
Bij wijze van service zal de Belastingdienst de werknemer éénmaal per jaar erop attenderen dat hij een verklaring geen privégebruik heeft en dat hij, als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, verplicht is dat door te geven. Bij die gelegenheid kan de werknemer ook eventuele andere punten doorgeven, zoals het kenteken van een eventuele nieuwe auto.
Let op: Let wel: een verklaring geen privégebruik is niet verplicht. De werkgever kan ook zonder een verklaring geen privégebruik de autokostenbijtelling achterwege laten. Maar het voordeel van de verklaring geen privégebruik is dat de werkgever is ontslagen van de plicht zich te verdiepen in de rittenadministratie van zijn werknemers en ook geen risico's loopt mocht deze onjuist zijn.
Verbod privégebruik
Als het de werknemer verboden is om privé met de auto te rijden, dan is er uiteraard ook geen bijtelling. Men zit dan immers onder de 500 kilometer per jaar. Ook hier moet men echter het bewijs leveren. In een dergelijke situatie hoeft dat niet per se aan de hand van een kilometeradministratie, maar bijvoorbeeld aan de hand van de arbeidsovereenkomst. Bijvoorbeeld als in dit contract is vastgelegd dat de werknemer de hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend mag gebruiken voor zakelijk verkeer en het woon-werkverkeer, en op overtreding van dat verbod navenante sancties staan. Een voorbeeldafspraak tussen werkgever en werknemer van een verbod op privégebruik kan de werkgever downloaden van www.belastingdienst.nl/loonheffingen of bestellen bij de Belasting- Telefoon: 0800 - 0543. Maakt de werkgever geen gebruik van deze voorbeeldafspraak of als hij deze wijzigt, dan loopt hij het risico dat de schriftelijke vastlegging van het verbod niet (meer) voldoet. De afspraak kan in zo'n geval ter goedkeuring worden voorgelegd aan: Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto, Antwoordnummer 403, 7100 WB Winterswijk.De werkgever moet controleren of de betreffende persoon zich aan het verbod houdt, bijvoorbeeld door iedere maand de kilometerstand op te vragen en 'uitschieters' uit te zoeken. Iemand die iedere dag een andere rit rijdt (bijvoorbeeld een vertegenwoordiger) moet vaker steeksproefgewijs worden gecontroleerd dan iemand die lange tijd achter elkaar dezelfde route rijdt (bijvoorbeeld de bouwvakker). Verkeersboetes, schademeldingen, tankbeurten die in het weekeinde of op een andere vrije dag van de werknemer zijn opgelegd, moeten onder de loep genomen worden. Het geheel wordt nog geloofwaardiger als de werknemer bij privégebruik niet verzekerd is én de werknemer in privé over een eigen auto beschikt.
De controle door de werkgever moet toetsbaar zijn aan de hand van bijvoorbeeld de aanwezige agenda's, werkroosters of werkstaten, vakantieoverzichten, ziekte- en verlofstaten, benzinebonnen, garagenota's en dergelijke.
Neem bij twijfel of wel of niet het privérijverbod goed wordt gecontroleerd, contact op met de bevoegde inspecteur. Met de inspecteur zijn ook afspraken te maken of het te leveren bewijs toereikend is. Dit om te voorkomen dat men achteraf toch een bijtelling krijgt, omdat het bewijsmateriaal ondeugdelijk of ontoereikend is.
Voorbeeld
Een rechercheur lukte het de bijtelling te voorkomen. Hij kon aantonen dat hij van zijn werkgever niet privé in de auto mocht rijden en zou hij dat wel doen, dan zou hij onverzekerd rijden. De rechter vond dit voldoende bewijs dat hij de auto niet voor privé gebruikte; niemand rijdt toch onverzekerd rond.
Een rechercheur lukte het de bijtelling te voorkomen. Hij kon aantonen dat hij van zijn werkgever niet privé in de auto mocht rijden en zou hij dat wel doen, dan zou hij onverzekerd rijden. De rechter vond dit voldoende bewijs dat hij de auto niet voor privé gebruikte; niemand rijdt toch onverzekerd rond.
In een ander geval had een werknemer ook geen kilometeradministratie nodig. Hij had onder andere een sanctiebepaling in zijn arbeidscontract en een bepaalde emotionele band met zijn privéauto, waardoor de rechter het aannemelijk vond dat hij minder dan 500 privékilometers met de auto had gereden.
Drie broers die een rijschool met elkaar exploiteerden en een strakke afspraak omtrent geen-privégebruik hadden waarbij allen groot belang hadden dat ze deze afspraak individueel naleefde, konden ook volstaan met deze afspraak (in samenhang met andere feiten).
Drie broers die een rijschool met elkaar exploiteerden en een strakke afspraak omtrent geen-privégebruik hadden waarbij allen groot belang hadden dat ze deze afspraak individueel naleefde, konden ook volstaan met deze afspraak (in samenhang met andere feiten).
Overtreding verbod
Bij overtreding van het verbod op privégebruik volgt mogelijk een naheffingsaanslag, eventueel met boete en rente, tenzij het privégebruik de 500 kilometers op kalenderjaarbasis niet overschrijdt. Wanneer het passende toezicht op het verbod door de werkgever blijkt te ontbreken dan is dit in eerste instantie aan de werkgever te wijten. De Belastingdienst legt hem dan een correctieverplichting op voor de bijtelling van het voordeel van het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto. Voor zover van toepassing komen de eventuele boete en de heffingsrente voor rekening van de werkgever.Het is ook mogelijk dat de Belastingdienst constateert dat de werknemer het verbod niet naleeft, terwijl de werkgever voldoende toezicht heeft gehouden. Ook in dit geval wordt de werkgever een correctieverplichting opgelegd voor de bijtelling wegens privégebruik van de ter beschikking gestelde auto, maar heeft de werkgever reden de uit de naheffingsaanslag voortvloeiende last op de werknemer te verhalen. Een en ander is ook afhankelijk of dit is vastgelegd in een overeenkomst ofzo. Wel heeft de werknemer in dit geval recht op de vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw.
Kilometeradministratie
Als de werknemer een kilometeradministratie bijhoudt en hieruit blijkt dat hij minder dan 500 privékilometers in een kalenderjaar heeft gereden, dan is er in het geheel geen bijtelling. De Belastingdienst eist een sluitende kilometeradministratie, over alle 365 dagen van het jaar. De kilometeradministratie moet onder andere de volgende gegevens bevatten :
- kilometerstand aan het begin van een rit;
- kilometerstand aan het einde van de rit;
- gevolgde route en afstand;
- bezochte relatie;
- melding of de rit privé of zakelijk is.
Een black-box is uiteraard een goede vervanger van een kilometeradministratie, maar dan moet nog wel handmatig worden bijgehouden of de betreffende rit zakelijk of privé is geweest.
Enkele malen heeft de rechter genoegen genomen met een niet-perfecte kilometeradministratie. Het niet vermelden van de route die gevolgd is en het niet noteren van de per bezoek afgelegde afstand, vormden voor de rechter geen belemmering om het overtuigende bewijs te leveren dat de auto nagenoeg zakelijk gebruikt is. Een andere rechter vond dit juist wel een probleem.
Wilt u echter op zeker spelen, zorg dan voor een sluitende kilometeradministratie volgens het goedgekeurde model.
Ziekte, vakantie, verblijf in buitenland en dergelijke
Het achterwege laten van de autokostenbijtelling voor de periode dat de werknemer geen gebruik maakt van de auto van de zaak (bijvoorbeeld als de werknemer op vakantie of op buitenlandse dienstreis gaat met een ander vervoermiddel of als hij ziek is), wordt niet makkelijk door de Belastingdienst geaccepteerd. Een vliegticket als bewijs dat men met het vliegtuig op vakantie is geweest, volstaat niet. Evenmin volstaat als bewijs dat een collega die bewuste periode in de auto reed.Voorbeeld
A heeft een auto van de zaak. Hij breekt zijn middenvoetsbeentje en kan hierdoor elf weken niet autorijden. De auto bleef deze elf weken voor de deur staan. A houdt bij het invullen van zijn aangifte voor de inkomstenbelasting rekening met de elf weken dat hij de auto niet gebruikte. De rechter is het hier niet mee eens. De auto heeft A ter beschikking gestaan; dat A de auto feitelijk niet kon gebruiken is vers twee.
Wel volstaat het afgeven van de autosleutels aan de werkgever en het gelijktijdig stallen van de auto op het terrein van de werkgever. Zorg wel dat dit ook schriftelijk is vastgelegd, bijvoorbeeld door een ontvangstbewijs aan de werknemer te geven ter zake van het ontvangen van de auto + de sleutels. Hierin moet ook de periode staan genoemd waarin de werknemer niet meer de beschikking heeft over de auto.A heeft een auto van de zaak. Hij breekt zijn middenvoetsbeentje en kan hierdoor elf weken niet autorijden. De auto bleef deze elf weken voor de deur staan. A houdt bij het invullen van zijn aangifte voor de inkomstenbelasting rekening met de elf weken dat hij de auto niet gebruikte. De rechter is het hier niet mee eens. De auto heeft A ter beschikking gestaan; dat A de auto feitelijk niet kon gebruiken is vers twee.
Vergoeding van kosten door de werkgever
De werkgever kan alle kosten die verband houden met de ter beschikking gestelde auto belastingvrij voor zijn rekening nemen; de werknemer schiet de kosten voor, en vervolgens betaalt de werkgever het terug. Hierbij kan gedacht worden aan parkeerkosten, autoslaaptrein en eventueel een vergoeding voor het stallen van de auto.Stallingskosten: Het is mogelijk dat de werkgever een vergoeding geeft voor het stallen van de auto van de zaak. Begin 2002 is expliciet in de wetgeving opgenomen dat dit niet 'in of bij' het huis mag gebeuren, want bij een vergoeding voor de privégarage van de werknemer ziet de Belastingdienst een privévoordeel voor de werknemer. Indien de werknemer de auto parkeert in een garage die zich niet in de onmiddellijke omgeving van zijn woning bevindt, kan de vergoeding wel belastingvrij worden gegeven.
Boetes: Begin 2001 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de boetes die met de 'auto's van de zaak' zijn gemaakt en die de werkgever betaalt (boete is immers op zijn naam gesteld) en deze niet verhaalt op het loon van de werknemer, dit geen belast loon oplevert. De werknemer kan een boete niet in mindering brengen op de bijtelling.
Autotelefoon: Een autotelefoon kan belastingvrij worden verstrekt of vergoed als de autotelefoon voor 10% of meer voor zakelijke gesprekken wordt gebruikt.
Parkeerkosten: Als de werknemer met de auto parkeerkosten maakt, kan de werkgever die volledig vergoeden (tenzij de parkeerplaats bij zijn eigen huis is). Hetzelfde geldt voor veer- en tolgelden.
Dit in tegenstelling tot de eigen-autorijder. Hierbij is de uitkomst dus verschillend. Als twee werknemers dezelfde klant bezoeken en de één rijdt in een auto van de zaak en de ander in een privéauto en ze maken dezelfde parkeerkosten, dan kan de werkgever die aan de werknemer met de auto van de zaak belastingvrij vergoeden, terwijl hij die kosten van de collega met de privéauto alleen binnen de begrenzing van de € 0,19 kan vergoeden. Mocht de werkgever in het laatste geval toch de parkeerkosten apart vergoeden, dan moet hij hierover de eindheffing toepassen (enkelvoudig tarief), maar dat is wel duurder voor de werkgever.
Wel mag de werkgever sinds 2004 aan de werknemer met een eigen auto de parkeergelegenheid belastingvrij verstrekken. Let wel: verstrekken is niet hetzelfde als vergoeden. Onder verstrekken valt bijvoorbeeld de parkeervergunning, de parkeerkaart of gewoon een parkeervak op de parkeerplaats bij kantoor. De voorwaarde voor deze belastingvrije verstrekking is dat de parkeergelegenheid zich bevindt bij de plaats van de werkzaamheden. Te denken valt dan aan de parkeerplek bij kantoor maar ook aan het parkeerkaartje als een relatie wordt bezocht.
Carkit, navigatiesysteem e.d.: Een carkit, navigatiesysteem kan de werkgever belastingvrij bij de auto van de zaak vergoeden. Mocht de fabrikant/importeur auto's inclusief deze accessoires in zijn prijslijst hebben opgenomen, dan verhogen de waarden van deze accessoires uiteraard de omvang van de autokostenbijtelling die de werknemer moet aangeven, met uitzondering van een navigatiesysteem.
Mocht de werknemer een bijdrage voor het privégebruik van deze accessoires aan de werkgever moeten betalen, dan kan deze bijdrage in mindering worden gebracht op de autokostenbijtelling.
Ontslag, einde leasecontract, pensionering en dergelijke
Bij ontslag, einde van het leasecontract of pensionering van werknemers komt het regelmatig voor dat de werknemer de auto waarin hij rijdt, mag overnemen voor een schappelijke prijs. Als de Belastingdienst kan aantonen dat die prijs lager is dan de economische waarde van de auto, wordt wel belast loon geconstateerd. De werkgever moet over het verschil dan de loonheffingen inhouden of hij moet de loonheffingen zelf voor eigen rekening nemen door het voordeel te bruteren.Hetzelfde geldt als de werknemer de auto tegen boekwaarde mag overnemen: ook dan kan er een verschil optreden tussen de boekwaarde die de werkgever hanteert en de waarde in het economische verkeer: dat verschil is in principe belast.
Wat is eigenlijk de te hanteren waarde in het economische verkeer? Dat is de prijs die voor de betreffende bij een dealer zou moeten worden betaald. De Belastingdienst hanteert hiervoor de verkoopwaarde uit de Autotelex. De Autotelex is een lijst van verkoop- en inruilwaarden van 'tweedehands' auto's die in de autohandel wordt gehanteerd. De rechter is akkoord met deze waarde (die aanzienlijk hoger is dan de inruilwaarde die de werkgever zou kunnen krijgen bij de dealer), ondanks dat de autotelexwaarden veronderstellen dat de betreffende auto roest- en schadevrij is en dat deze lijst door niet-autodealers niet eens te raadplegen is. Dezelfde rechter stond wel een afwaardering op de autotelexwaarde toe vanwege het ontbreken van garantie en het rijklaar maken van de auto. Om deze afwaardering te kunnen achterhalen, zal de werkgever te rade moeten worden gegaan bij de dealer.








