Send to friend Pagina afdrukken
Vergoedingen

bijgewerkt tot en met 26 augustus 2008

Onkosten

Kosten die de werknemer maakt en die noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van zijn dienstbetrekking, kunnen door de werkgever vrij voor de loonheffingen worden vergoed. De vraag welke kosten noodzakelijk zijn voor een goede uitoefening van het dienstverband, is niet in het algemeen te beantwoorden. Dit hangt af van het werk dat de werknemer doet. Bovendien heeft de Belastingdienst grenzen gesteld aan belastingvrije vergoedingen, en zelfs verboden. Zo kan de werknemer die een vergadering heeft in de binnenstad van Den Haag, de parkeerkosten niet belastingvrij vergoed krijgen. Dat is bij wet (Wet op de loonbelasting) uitgesloten. Voor de werknemer die een auto van de zaak heeft, is dit overigens anders. Gaat hij na de vergadering met een relatie een hapje eten om de besproken zaken te evalueren, dan is de restaurantnota belastingvrij te vergoeden.
Indien de werkgever kosten vergoedt, moet hij zich aan bepaalde regels houden om te voorkomen dat de fiscus de vergoeding als loon ziet (Regelgeving) (Jurisprudentie) .
Let op: Als wordt gesproken van iets dat 'belastingvrij' is, dan wordt er in deze publicatie vanuit gegaan dat dit loonbestanddeel voor alle loonheffingen is vrijgesteld. Mocht dit niet het geval is, dan wordt dit expliciet aangegeven, bijvoorbeeld dat een bepaald loonbestanddeel voor de premieheffing voor de werknemersverzekeringen of Zorgverzekeringswet anders wordt behandeld als voor de loonbelasting/premie volksverzeringen.

Vergoeding geen onderdeel van normale loon

Een onkostenvergoeding mag geen deel uitmaken van het normale loon van de werknemer. De werkgever mag dus niet van het normale loon een gedeelte afsplitsen en dat gedeelte bij de inhouding van de loonheffingen behandelen als onkostenvergoeding. Er moet duidelijk blijken wat de onkostenvergoeding is en wat het normale loon is.

Onkosten vergoeden op basis van declaraties

Een veelgebruikte methode van onkostenvergoeding houdt in dat de werknemer zijn kosten vergoed krijgt aan de hand van declaraties. Dit is de de meest eerlijke en betrouwbare manier om onkosten te declareren. Vooral bij erg hoge onkosten ziet de Belastingdienst het liefst dat deze op declaratiebasis worden vergoed. Hierbij kan gedacht worden aan de kosten van vliegtickets, overnachtingen, congressen en cursussen, zakelijke etentjes met meerdere personen en de relatiegeschenken van grotere omvang. Keerzijde is wel dat deze methode voor zowel de werkgever als de werknemer een aanzienlijke administratieve rompslomp oplevert. Voor kleine kostenposten wordt daarom ook veel gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een vaste onkostenvergoeding te verstrekken.

Vaste onkostenvergoeding

Een vaste kostenvergoeding wordt veelal gegeven voor de kleinere kosten die zich moeilijk lenen voor een vergoeding op declaratiebasis. Gedacht kan worden aan vaktijdschriften, kantoorbenodigdheden zoals schrijfwaren en papier, weggevertjes zoals drank en kleine consumpties onderweg. De vaste onkostenvergoeding hoeft niet per se afgestemd te zijn op de kosten die de individuele werknemer werkelijk maakt. Het is ook mogelijk dat in een bedrijf een algemene regeling geldt, afgestemd op de door een betrokken groep van werknemers gemiddeld te maken kosten. Er moet dus wel een duidelijk verband zijn tussen de onkostenvergoeding en de werkelijk te maken kosten. De redelijkheid en het verband tussen de gemaakte kosten en het dienstverband mogen niet uit het oog worden verloren (Hof 's-Gravenhage 19 december 2002).
Let op: Het is raadzaam bij de vaststelling van de hoogte van een vaste kostenvergoeding vooraf in overleg te treden met de Belastingdienst. Op deze manier kunt u voorkomen dat de inspecteur achteraf van mening is dat de onkostenvergoeding te hoog is en een gedeelte ervan alsnog tot het belaste loon rekent.
In ieder geval kan de Belastingdienst van tijd tot tijd de opdracht geven om een steekproef te doen, teniende te kunnen beoordelen of de vaste kostenvergoeding niet bovenmatig is. Kunt u de vaste kostenvergoeding niet verdedigen, dan volgt een naheffingsaanslag/correctienota met eventueel boete en heffingsrente

Regeling in de arbeidsovereenkomst

Het verdient aanbeveling hetgeen omtrent de onkostenvergoeding is afgesproken, vast te leggen in de arbeidsovereenkomst. Hierin kan bijvoorbeeld de hoogte van de vaste vergoeding worden vastgelegd, en worden aangegeven waar deze voor bestemd is.

Ziekte, langdurig verlof e.d.

Een twistpunt in de praktijk is vaak, wat er met een onkostenvergoeding gebeurt bij ziekte of op non-actiefstelling van de werknemer. Ook hierover kunnen vooraf afspraken worden vastgelegd. De Belastingdienst keurt goed dat bij ziekte de onkostenvergoeding ongemoeid wordt gelaten gedurende de maand waarin de werknemer ziek is geworden plus de volledige volgende maand. Daarna kan de onkostenvergoeding weer worden uitbetaald vanaf de maand volgend op de maand van herstel.

Reiskosten

Sinds 2004 is er geen onderscheid meer tussen woon-werkverkeer en zakelijke kilometers. Alle kilometers die gemaakt worden ten behoeve van het werk, worden aangemerkt als zakelijke kilometers. Voor iedere zakelijke kilometer kan de werkgever een belastingvrije vergoeding geven van € 0,19 (tot en met 2005: € 0,18), ongeacht de wijze van vervoer. Uitgezonderd zijn de reizen per schip, vliegtuig en taxi. Hiervoor kunnen alleen de werkelijke kosten van de reisticket belastingvrij worden vergoed.
Let op: De € 0,19-kilometervergoeding is een maximum. De werkgever kan ook minder geven.

Vaste reiskostenvergoeding

Het is bewerkelijk voor de werkgever om dagelijks te administreren hoeveel kilometers iedere werknemer heeft afgelegd ten behoeve van het werk. Vooral voor de werknemers die iedere dag dezelfde rit naar een vaste arbeidsplaats maken. Daarom is voor deze groep werknemers een formule bedacht aan de hand waarvan de werkgever hun een vast bedrag kan uitbetalen, bijvoorbeeld bij de periodieke salarisbetaling, dat vrijgesteld is van de loonheffingen. Deze formule wordt ook wel de praktische regeling genoemd. De formule op jaarbasis is: (260 - 54) × dagelijkse reisafstand (heen en terug) × € 0,19. De uitkomst is het belastingvrije bedrag dat op jaarbasis maximaal kan worden vergoed. De volgende opmerkingen moeten nog worden gemaakt:
  • 260 is het getal dat staat voor het aantal werkbare dagen per jaar.
  • 54 is het aantal dagen dat een werknemer (op fulltime-basis) grosso modo niet werkt in verband met vakantie, verlof en ziekte. Mocht dit minder zijn, dan moet de werkgever dit aannemelijk kunnen maken. Dit leidt immers tot een hogere uitkomst. Rekening houden met meer dagen aan ziekte, verlof e.d. mag zonder meer, want dat leidt tot een lagere vergoeding.
  • Voor een werknemer die in deeltijd werkt of een aantal dagen per week naar een vaste arbeidsplaats reist, kan deze praktische regeling naar evenredigheid worden toegepast. De dagelijkse reisafstand mag maximaal 150 kilometer zijn. Betreft het meer, dan moet een nacalculatie worden gemaakt.
Sinds 2007 is er nog een tweede formule aan de hand waarvan de werkgever een vaste reiskostenvergoeding kan berekenen, die zelfs iets ruimer is qua aantal werkdagen waarmee rekening mag worden gehouden. Bovendien mag bij deze nieuwe formule de reiskostenvergoeding gewoon doorbetaald blijven worden in het geval de werknemer niet naar de betreffende arbeidsplaats reist vanwege ziekte, verlof of op een andere locatie werkzaam zijn e.d. Dit 'verzuim' mag hooguit 30% zijn van het totaal aantal werkdagen.
Voorbeeld
Werknemer A reist 5 dagen per week naar zijn werk. Zijn totale reisafstand is 36 km (18 km enkele reis). Op jaarbasis is dan een vaste onbelaste reiskostenvergoeding toegestaan van: (260 - 54) × 36 × € 0,19 = € 1409, ofwel € 117 per maand of € 27 per week.

Vasthouden aan € 0,28 voor zakelijke reizen

Veel bedrijven willen de personeelsleden die met hun eigen auto voor hun werk moeten reizen, de oude hoge kilometervergoeding van € 0,28 geven. Deze was al nauwelijks kostendekkend voor de werknemer, laat staan € 0,19. Als de werkgever besluit € 0,28 per kilometer te blijven vergoeden, is € 0,09 in principe belast. Bij een belastingtarief van 42% (afgezien van de premieheffing werknemersverzekeringen en ZVW), moet er € 0,04 aan de Belastingdienst worden afgedragen; de werknemer houdt dan € 0,24 netto aan de kilometervergoeding over. Hij zal er dus iets op achteruit gaan. De werkgever kan er ook voor kiezen om de loonheffingen over het bovenmatige deel van de kilometervergoeding voor zijn eigen rekening te nemen. Bij een belastingtarief van 42% kost dat de werkgever ruim € 0,07 per kilometer aan loonheffing, waardoor de totale kosten voor de werkgever per kilometer € 0,36 zijn. In dit geval gaat de werknemer er financieel niet op achteruit.
Er is ook een wat meer budgettair neutrale methode voor de werkgever om de werknemer te compenseren. Deze methode maakt gebruik van artikel 10f in het Uitvoeringsbesluit loonbelasting en de mogelijkheid om een lagere vergoeding te geven dan op grond van de wetgeving belasting- en premievrij mogelijk is. Als voorbeeld geeft de staatssecretaris dat de werkgever voor de kilometers van het woon-werkverkeer slechts € 0,08 geeft i.p.v. de maximale belastingvrije € 0,19. Maar een andere optie is om aan te sluiten bij het oude reiskostenforfait zoals dat in 2003 nog bestond. In de meeste gevallen is dit ook een geringer bedrag dan in het geval de werkgever een vergoeding van € 0,19 per woon-werkkilometer geeft. De fiscus zal hiermee dus geen problemen hebben. Aan het eind van het jaar rekent de werkgever wel uit wat hij voor het woon-werkverkeer had kunnen geven op basis van de € 0,19-kilometervergoeding. En omdat dit in de meeste gevallen meer is dan het oude reiskostenforfait, ontstaat er een surplus. Dit surplus wordt gebruikt om de € 0,28-kilometervergoeding voor de zakelijke kilometers belastingtechnisch te 'rechtvaardigen' (lees: compenseren). Is er een tekort, dan moet de werkgever alsnog over de bovenmatige reiskostenvergoeding loonheffingen afdragen. Dat moet uiterlijk in januari na afloop van het betreffende kalenderjaar zijn gebeurd.
Voorbeeld
Werknemer A woont op een afstand van 13 kilometer van het werk. Hij werkt 5 dagen per week. Naast het dagelijkse woon-werkverkeertraject, rijdt hij 2.500 zakelijke kilometers in een jaar. Op basis van het vroegere reiskostenforfait wordt aan A per maand € 65 gegeven als zijnde reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer. Voor de 2.500 zakelijke kilometers wordt € 0,28 gegeven. De vraag is nu in hoeverre de € 0,28 bovenmatig is. Het betreft 2500 × € 0,09 = € 225. Maar er zit nog wat ruimte in de reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer. Dit zijn 546 (13 × 2 × 5 × 4,2 (we veronderstellen dat er in een maand 4,2 weken zit)) kilometers per maand. Hiervoor kan een belasting- en premievrije vergoeding worden gegeven van € 103,74. Dit is € 38,74 meer dan het tabelbedrag. Er is dan jaarlijks een belastingvrij surplus van € 464,88 (12 × € 38,74). Dit is voldoende om de 'bovenmatige' kilometervergoeding van € 0,28 voor A's 2.500 zakelijke kilometers te handhaven.

Openbaar vervoer

Als de werknemer voor het werk met het openbaar reist, dan mag de werkgever kiezen. Of € 0,19 per kilometer vrij vergoeden of de werkelijke kosten van het openbaar vervoer, zoals dat vóór 2004 ook kon. De werkgever mag dus ook de volledige kosten van tram-, trein en buskaarten (dag-, week-, maand-, of trajectkaarten, enkeltjes e.d.) vrij vergoeden. Het maakt niet uit of hierbij eerste of tweede klas wordt gereisd.
De voorwaarde voor een volledige vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer is wel dat de werkgever de originele plaatsbewijzen van het openbaar vervoer per werknemer administreert en bij de loonadministratie bewaart. Doet hij dat niet, dan is hij aangewezen op de € 0,19-vergoeding.

Ov-kaart

Als de werknemer een openbaarvervoerkaart (ov-kaart) krijgt waarmee hij in heel Nederland vrij kan reizen, dan werd vóór 2007 € 54 (€ 82 als het een eersteklaskaart betrof) bij het loon geteld waarover de werkgever verplicht de via de eindheffing de loonheffing moest inhouden. Op grond van de wet Paarse krokodil is deze bijtelling per 1 januari 2007 vervallen (Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001: art. 26).

Aftrek werknemer

Vanaf 2001 kan de werknemer een 'reisaftrek' (opvolger van het reiskostenforfait) aftrekken voor de inkomstenbelasting als hij met het openbaar vervoer naar het werk gaat. Het bedrag dat de werknemer over het belastingjaar 2008 voor het woon-werkverkeer met het OV kan aftrekken, kan uit de onderstaande tabel worden afgelezen.

enkele reisafstand

aftrekbedrag per jaar

meer dan

maar niet meer dan

-

10 km

-

10 km

115 km

€ 410

15 km

20 km

€ 547

20 km

30 km

€ 917

30 km

40 km

€ 1136

40 km

50 km

€ 1482

50 km

60 km

€ 1649

60 km

70 km

€ 1830

70 km

80 km

€ 1892

80 km

-

€ 1918

(Ktr. Brielle 22 februari 2000)
De werknemer moet in principe aan de hand van een OV-verklaring of anderszins bewijzen dat men per openbaar vervoer heeft gereisd. Een openbaarvervoerverklaring wordt afgegeven door de Nederlandse Spoorwegen en de streekvervoerbedrijven aan werknemers die een ov-kaart of trajectkaart hebben gekocht. Dit hoeft niet per se een jaarkaart te zijn. Sinds 1 januari 1997 worden openbaarvervoerverklaringen ook afgegeven aan maandkaarthouders. Een openbaarvervoerverklaring wordt dus niet afgegeven aan werknemers die reizen met een weekabonnement. Ook parttimers zullen veelal geen abonnement bezitten, maar zullen uit financieel oogpunt met losse vervoersbewijzen reizen. In plaats van de OV-verklaring, kunnen zij aan de hand van een verklaring van de werkgever, ook wel de reisverklaring genoemd, de reisaftrek claimen. De losse strippen- en treinkaarten moet de werknemer op verzoek van de Belastingdienst overhandigen
De reisverklaring moet de volgende gegevens bevatten:
  • naam en adres van werknemer en werkgever;
  • melding van op hoeveel dagen per week de werknemer gewoonlijk met het OV naar het werk reist.

Afwijkende bedragen bij deeltijd

De bedragen uit de tabel gaan ervan uit dat de werknemer ten minste vier keer per week naar zijn werk reist. De genoemde kilometers zijn enkele reizen. Indien de reisafstand minder bedraagt dan zeventig kilometer en de werknemer op één, twee of drie dagen per week pleegt te reizen, wordt het maximum van de onbelaste vergoeding gesteld op een kwart, de helft of drie kwart van de hiervoor genoemde bedragen.

Carpoolregeling

Per 1 januari 2004 bestaat de carpoolregeling niet meer. De regeling waarbij belastingvrij € 0,28 per kilometer aan de bestuurder kon worden, kwam de beoogde eenvoud niet meer ten goede. Toch blijft carpoolen aantrekkelijk. Iedere deelnemer van het carpoolen kan belasting- en premievrij € 0,19 per kilometer vergoed krijgen. Als carpoolers die vergoeding onderling verdelen, is dat in de ogen van de fiscus geen probleem: met andere woorden: dat is belastingvrij. Let wel: aan de meerijders kan alleen een onbelaste kilometervergoeding van € 0,18 worden verstrekt, als zij uit privé-overwegingen hebben besloten te gaan carpoolen. Met andere woorden: als de werknemers het carpoolen zelf regelen.
Wordt gecarpoold op basis van een regeling van de werkgever, dan kan niets aan de meerijders worden vergoed. Er is dan immers sprake van vervoer vanwege de werkgever. De werkgever kan in dat geval dan wel aan de chauffeur tevens een onbelaste kilometervergoeding van € 0,19 geven voor de omrijkilometers. Uitgerekend moet dus worden wat in een specifiek geval het voordeligst is: carpoolen op basis van privé-afspraken óf op basis van een regeling van de werkgever. Veelal zal het eerste het geval zijn.

Fiets

De werkgever kan aan de werknemer een fiets geven om naar het werk te komen. Dit kon altijd belastingvrij als de werkgever eigenaar van de fiets bleef (ter beschikking stellen). Werd de werknemer eigenaar van de fiets, verstrekken of vergoeden van een fiets, dan kwam vóór 2007 een eenmalige bijtelling van € 68 op het loon van de werknemer. Op grond van de wet Paarse krokodil (terugdringing regelgeving) is deze bijtelling van € 68 sinds 1 januari 2007 vervallen.
Voor de vrijstelling geldt nog wel de maximumprijs van € 749 voor de fiets. Een duurdere fiets zal voor het meerdere worden belast. Met de prijs van € 749 wordt bedoeld de prijs die staat vermeld in de prijslijst van de fabrikant, inclusief BTW; niet de eventuele prijs die de werkgever voor de fiets heeft betaald na een eventuele korting of voor een lagere prijs in de aanbieding.
Verder is de € 250-vergoedingsmogelijkheid voor fietsaccessoires (bijvoorbeeld een extra slot, een regenpak en onderhoudsbeurten) veranderd in een jaarlijkse vergoedingsmogelijkheid van € 82 per jaar. Maar hiervoor hoeft de werknemer geen bonnen meer in te leveren; het is een forfait geworden. Daarnaast mag ook nog belastingvrij een fietsverzekering worden vergoed/verstrekt.

Auto van de zaak

Sommige bedrijven stellen aan werknemers die veel moeten reizen of aan werknemers die een bepaalde positie in het bedrijf bekleden, een bedrijfsauto ter beschikking. Dit houdt in de praktijk in dat de werknemer ook privé in deze auto kan rijden (Jurisprudentie).

Contract opstellen

Het verdient aanbeveling een contract op te stellen, waarin de afspraken met de werknemer over de bedrijfsauto zijn vastgelegd. Daarin kan o.a. worden vastgelegd wat er met de auto gebeurt als de werknemer, bijvoorbeeld door ziekte, zijn functie lange tijd niet uitoefent of daarvoor blijvend ongeschikt is. In het algemeen is het redelijk dat de werknemer de auto dan inlevert. Wel kan dan worden afgesproken dat aan de werknemer in zo'n geval een vergoeding voor het verloren privégebruik wordt toegekend.
Voorbeeld
Werknemer M is sinds september 1985 als magazijnmedewerker in dienst van schoonmaakbedrijf C. Hij heeft een auto van C ter beschikking gehad, die hij tevens voor privé-doeleinden (o.a. vakanties) mocht gebruiken. Eind oktober 1991 is M ziek geworden. Half november heeft hij de auto aan C ter beschikking moeten stellen. Per 1 mei 1992 wordt het dienstverband, na een periode waarin M op non-actief is gesteld, beëindigd.
Na afloop van het dienstverband vordert de werknemer wegens het gemis van het privégebruik schadevergoeding van de werkgever. Deze vordering beloopt ruim ƒ 4500 (2025 euro) gebaseerd op een opgave van de ANWB over de kosten van een soortgelijke auto.
De werkgever beroept zich op een interne autorichtlijn waarin staat dat privégebruik van een bedrijfsauto niet is toegestaan. Aan M was bij wijze van uitzondering wel toestemming verleend de auto privé te gebruiken. Het privégebruik moet gezien worden als een `leuk voordeeltje', maar niet als een secundaire arbeidsvoorwaarde.
Volgens de rechter was het kosteloos voor privé-doeleinden mogen gebruiken van de dienstauto uitgegroeid tot een niet onbelangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde, die niet meer eenzijdig c.q. zonder compensatie aan de werknemer kon worden ontnomen. Het beroep van C op de interne autorichtlijn moet worden verworpen, nu C zelf aangeeft dat ten behoeve van M een uitzondering is gemaakt.
Wat betreft de hoogte van de schadevergoeding kan de rechter M niet volgen. De ANWB-berekening gaat uit van een privégebruik van 55.000 kilometer per jaar, en M heeft niet duidelijk gemaakt dat hij zo'n groot privégebruik had, danwel dat C privégebruik van een dergelijke omvang had toegestaan. De rechter hanteert dan ook een andere maatstaf en gaat uit van het privégebruik dat de Belastingdienst pleegt te hanteren, te weten 20% van de cataloguswaarde op jaarbasis. In dit geval is dat ƒ 6000 (2700 euro). Over 5,5 maanden komt dit uit op een bedrag van ƒ 2750 (1237 euro). De rechter merkt op dat eventuele fiscale afdrachten hierover ten laste van de werknemer komen (Kantonrechter Utrecht 2 juli 1996).

Loonheffingen

Tot 2006 moest de werknemer het voordeel van de van de werkgever ter beschikking gestelde auto zelf aangeven bij de aangifte voor de inkomstenbelasting: de autokostenbijtelling. De werkgever hoefde dan over dit loonbestanddeel dus geen loonheffingen in te houden en af te dragen.
Vanaf 2006 moet de werkgever dit wel, met uitzondering van de premies voor de werknemersverzekeringen. De werkgever moet derhalve loonbelasting/premie volksverzekeringen over de autokostenbijtelling inhouden en afdragen aan de Belastingdienst en tevens de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw over de bijtelling afdragen. De autokostenbijtelling is vanaf 1 januari 2008 25% (2007: 22%)van de cataloguswaarde. Dit is de prijs van de auto zoals die in de officiële prijslijsten van het jaar waarin de auto voor het eerst geleverd werd, voorkomt (inclusief omzetbelasting en BPM). Worden er accessoires (radio, stuurbekrachtiging e.d.) bijgeleverd, dan is de cataloguswaarde inclusief deze extra voorzieningen het uitgangspunt.
Het gebruik van zuinige auto's wordt gestimuleerd en daarom geldt voor deze auto's vanaf 1 januari 2008 een geringere bijtelling, namelijk slechts 14%. Een zuinige auto is een auto met een CO2-uitstoot beneden een bepaalde maximumgrens. Begin 2008 voldeden hieraan (onder andere): de Toyota Prius, de Citroën C1, en de Peugeot 107. De Belastingdienst beschikt over een volledige lijst.
De autokostenbijtelling telt mee voor de 30%-regeling, de gebruikelijk-loonregeling en de afdrachtvermindering loonheffing. Echter, expliciet is gezegd dat de autokostenbijtelling niet tot de pensioengrondslag zal behoren (dat zal werkgevers met een pensioenregeling gebaseerd op het eindloonstelsel een aanzienlijke backservice schelen). Evenmin behoort het tot de grondslag waarover het vakantiegeld moet worden berekend; de auto van de zaak is immers geen loon in geld (Wet inkomstenbelasting 2001: art. 3.145).
Betaalt de werknemer een bijdrage voor de auto (omdat hij er privé in mag rijden) dan komt deze in mindering op de bijtelling.
Voorbeeld
Aan A is een auto ter beschikking gesteld met een cataloguswaarde van € 20.000. Voor het privégebruik betaalt hij maandelijks € 75 aan de werkgever. De autobijtelling bedraagt: (25% van € 20.000) - (12 × € 75) = € 4100. Maandelijks moet de werkgever € 341,66 bij het loon tellen en hierover de loonheffingen inhouden.
Let op: Door de inhoudingen van de werkgever, zal het uitbetaalde nettosalaris voor de werknemer minder worden. Daarentegen wordt hij na afloop van het jaar niet meer geconfronteerd met een aanslag in de inkomstenbelasting vanwege de auto.

Géén autokostenbijtelling

Als de werknemer minder dan 500 privé-kilometers per jaar met de auto rijdt, dan is er, net als in vorige jaren, geen autokostenbijtelling. De werkgever hoeft over de auto dan ook geen loonheffingen in te houden. Dat er minder dan 500 privé-kilometers per jaar met de auto zijn gereden, moet de werknemer in principe zelf aantonen aan de hand van een kilometeradministratie. Maar aan de andere kant moet de werkgever dit ook kunnen aantonen, want hij past wellicht anders ten onrechte de autokostenbijtelling niet toe met als gevolg mogelijk een naheffingsaanslag op zijn conto. Teneinde te voorkomen dat de werkgever dit iedere maand moet controleren, kan de werknemer een soort vrijwaringsbewijs bij de Belastingdienst aanvragen: de zogenoemde Verklaring geen privégebruik. Een kopie hiervan moet hij afstaan aan zijn werkgever die vervolgens geen rekening hoeft te houden met de autokostenbijtelling. De werkgever hoeft dan geen kilometeradministratie meer in te zien.
Let wel: de werknemer is hiermee niet vrijgesteld van het bijhouden van een kilometeradministratie. Door de aanvraag van de verklaring heeft hij alleen plechtig beloofd de auto op jaarbasis voor minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden te gebruiken. Maar het bewijs moet hij de Belastingdienst nog wel leveren aan de hand van een kilometeradministratie. De aanvraag voor de verklaring kan via www.belastingdienst.nl worden gedownload.
Is de verklaring ten onrechte aangevraagd/onjuist, dan wordt deze met terugwerkende kracht ingetrokken. De Belastingdienst legt dan de hierbij behorende naheffingsaanslag (vanwege ten onrechte niet afgedragen loonheffing) op aan de werknemer. De werknemer kan hierbij ook een boete krijgen. Bij opzet is deze al snel 50% van de naheffing.
Wanneer de werknemer niet privé met de auto mag rijden (dus minder dan 500 privé-kilometers en dus geen bijtelling), dan is een kilometeradministratie niet nodig. Een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarin dit verbod zwart op wit staat, wat de werkgever ook daadwerkelijk controleert mét een sanctiebeleid als toch met de auto privé wordt gereden, is hierbij genoeg. Auto's die zonder meer niet geschikt zijn om privé mee te rijden ontspringen eveneens de dans. Te denken valt aan lijkwagens of een ambulance.
Let op: Dat minder dan 500 privé-kilometers mogen zijn gereden, geldt op jaarbasis. De werknemer die op 1 juli een auto van de zaak krijgt, mag dat kalenderjaar niet meer dan 249 privé-kilometers rijden teneinde de bijtelling te ontkomen. De werknemer die oorspronkelijk niet van plan was privé-kilometers te rijden en dat ook niet deed volgens zijn kilometeradministratie, maar halverwege het jaar anders besluit, zal voor het hele jaar de autokostenbijtelling krijgen als hij die laatste 6 maanden nog de 500-grens passert. Het is niet zo dat hij dan de bijtelling slechts voor de helft in aanmerking hoeft te nemen.

Leasen van een bedrijfsauto

Om een auto ter beschikking te stellen van de werknemer hoeft de werkgever geen eigenaar van de auto te zijn. Het gaat erom dat de auto `vanwege' de werkgever ter beschikking wordt gesteld. In de praktijk komt het veel voor dat de werkgever de auto least. De voordelen van leasen zijn onder andere dat hij geen rompslomp heeft van aankoop, inruil, verzekering, e.d. van de auto's.
Hiertegenover staan de leasecontracten die voor de werkgever niet altijd even voordelig zijn.

Studiekosten

Bij de vraag welke studiekosten de werkgever kan vergoeden en welke niet, zijn drie soorten studies te onderscheiden:
  • studie in het belang van het bedrijf, die op initiatief van de werkgever wordt gevolgd;
  • studie die niet in het belang van het bedrijf is en op initiatief van de werknemer wordt gevolgd;
  • studie die mede in het belang van het bedrijf op initiatief van de werknemer wordt gevolgd.
(Jurisprudentie).

Studie die in het belang van het bedrijf is

Bij de studie die in het belang van het bedrijf is en op initiatief van de werkgever wordt gevolgd, ligt het belang voor de hand. Deze studies kunnen dan ook in hun geheel door de werkgever belasting- en premievrij worden vergoed.
Voorbeeld
A is in dienst van B als manager. Hij moet hiervoor nogal wat lezingen houden en volgt daarom op verzoek van B de cursus 'effectief presenteren'. Deze cursus houdt zo'n verband met het werk van A, zodat B de cursus in zijn geheel belasting- en premievrij kan vergoeden.

Kosten die voor vergoeding in aanmerking komen

Kosten die onder andere voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, zijn:
  • deelname aan congressen;
  • lesgeld en tentamengeld;
  • collegegeld;
  • studieboeken;
  • vakkleding die nodig is voor de opleiding;
  • papier en schrijfgerei;
  • reisgeld;
  • fotokopiekosten.

Studie die niet in het belang is van het bedrijf

Voor de studie die niet in het belang van het bedrijf is en op initiatief van de werknemer wordt gevolgd, wordt geen vergoeding gegeven door de werkgever. Moet de werknemer de opleiding onder werktijd volgen, dan moet hij hiervoor verlof opnemen. Wordt toch een vergoeding gegeven, dan zal de Belastingdienst dit als (verkapt) loon beschouwen en moet de werkgever hierover loonheffingen inhouden.

Studie die mede in het belang is van het bedrijf

De vraag wanneer een opleiding mede in het belang is van een bedrijf, is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Van belang is of de opleiding de groeimogelijkheden van de werknemer in het bedrijf vergroot en of de kennis die de werknemer met de opleiding opdoet, van belang is voor de organisatie.
Bij deze studiekosten kan afgesproken worden dat de werkgever de studiekosten niet volledig vergoedt, maar een bepaald percentage ervan. De werknemer hoeft geen belasting te betalen over het gedeelte dat de werkgever vergoedt; het gedeelte dat hij zelf moet betalen kan hij (mits boven de drempel) aftrekken van de belasting.
Voorbeeld
A is als monteur in dienst van B. In zijn vrije tijd volgt hij het vak Nederlands op havo-niveau. Deze studie komt B goed van pas omdat A nu beter in staat is cliënten te woord te staan en correspondentie met hen te voeren.
Afgesproken wordt dat B het lesgeld, examengeld en de boeken vergoedt en dat A de rest voor zijn rekening neemt.

Studieschuld van nieuwe werknemer

Het kan zijn dat een nieuwe werknemer nog een studieschuld heeft aan zijn oude werkgever. Immers, sommige werkgevers investeren veel geld in een studie voor de werknemer, en bij verbreking van de dienstbetrekking hebben zij niet veel meer aan de nieuwe know-how van de werknemer. De meeste werkgevers dekken zich in voor zo'n situatie; zij willen dan een deel van de kosten vergoed zien. En zo heeft de werknemer die van baan verandert te maken met een studieschuld aan zijn oude werkgever.
Een nieuwe werkgever kan bereid zijn deze studieschuld over te nemen; vaak is dat ook een onderdeel van de sollicitatie-onderhandelingen. De nieuwe werkgever betaalt de schuld dan af; hetzij rechtstreeks aan de oude werkgever hetzij aan de werknemer. Dit kan volledig belasting- en premievrij; met andere woorden: er wordt hierin geen belast loonbestanddeel gezien. Mocht de werknemer de kosten van de studieschuld al hebben afgetrokken als zijnde scholingsuitgaven, dan is er geen ruimte meer voor de nieuwe werkgever om deze schuld belasting- en premievrij te vergoeden. Dat zou dan dubbelop zijn, namelijk profiteren van twee fiscale faciliteiten).

Maaltijden en andere consumpties

Maaltijden waarvan het zakelijke karakter van meer dan van bijkomstig (10%) belang is (overwerk, eten met zakenrelaties, e.d.) konden tot 2007 belasting- en premievrij worden vergoed/verstrekt tot en met de 80e maaltijd per werknemer per jaar. Voor de zakelijke maaltijd nummer 81, 82 en verder moest een forfait bij het loon worden geteld en hierover moeten de loonheffing over worden afgedragen. In 2006 was het forfait voor een diner € 3,10 en voor een ontbijt of een lunch € 1,55. Op grond van het wetsvoorstel Paarse krokodil zijn de bijtellingen voor deze maaltijden vanaf 2007 vervallen. Alle meer dan 10% zakelijke maaltijden zijn geheel belasting- en premievrij.

Kleine consumpties

Tijdens werktijd kunnen door de werkgever kleine consumpties onbelast worden verstrekt. Bijvoorbeeld koffie, thee, gebak, fruit, soep of snacks. Een belangrijke voorwaarde voor de onbelastbaarheid is dat het geen hele maaltijd mag vormen. Een belastingvrije vergoeding voor dergelijke versnaperingen is ook mogelijk. In 2008 is dat € 0,55 per dag met een maximum van € 2,75 per week (2007: idem) (Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001: art. 46).

Therapeutisch mee-eten

De werknemer die werkzaam is in de gezondheids- of welzijnszorg en op grond van de cao (of een publiekrechtelijke regeling) verplicht is de maaltijden met zijn patiënten en/of pupillen te nuttigen om opvoedkundige of therapeutische reden, wordt nimmer belast voor die gratis maaltijden.

Kantine

Als er gratis maaltijden in de kantine worden verstrekt, dan moet hiervoor eveneens een vast bedrag tot het loon worden gerekend waarover loonheffingen worden geheven. Deze forfaitaire bedragen zijn in 2008: € 2,05 voor een lunch en € 3,90 voor een warme maaltijd (2007: € 2 en € 3,80).
Als de kosten van de maaltijd minder zijn als het betreffende forfait van de maaltijd, dan moet toch het hogere forfait in rekening worden gebracht. Een eigen bijdrage van de werknemer mag uiteraard in mindering komen op het forfait, maar de bijtelling kan nooit negatief worden.
Overigens hoeft er niet speciaal een bedrijfskantine te zijn. De maaltijden mogen ook in bijvoorbeeld een vergaderruimte of een keukentje worden gegeten (Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001: art. 55).

Verhuis- en herinrichtingskosten

Verhuist een werknemer in het belang van het werk (m.a.w. een zakelijke verhuizing), dan kunnen de verhuiskosten belasting- en premievrij worden vergoed. De maximale vergoeding is gelijk aan het bedrag van 12% van het jaarsalaris van de werknemer inclusief vakantiebijslag, met een maximum van € 5445. De kosten voor transport van de boedel komen hier nog bovenop.).
Van een zakelijke verhuizing is in ieder geval sprake als de werknemer binnen twee jaar na het aanvaarden van een nieuwe dienstbetrekking of na een overplaatsing gaat wonen binnen een afstand van tien kilometer van de werkplek, óf als hij door de verhuizing de reisafstand tot het werk bekort met ten minste 50% en tevens met ten minste tien kilometer (Regelgeving).
Buiten deze twee gevallen kan, bijvoorbeeld bij een verhuizing na drie jaren na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking, ook een onbelaste verhuiskostenvergoeding worden gegeven. Echter, in deze situatie moet de werkgever dan aannemelijk maken dat de verhuizing op zakelijke gronden heeft plaatsgevonden. Een verhuizing die na een promotie plaatsvindt omdat een degelijkere woning beter bij de nieuwe functie past, is geen verhuizing die noodzakelijk is voor het uitoefenen van de dienstbetrekking. Wel is er sprake van een zakelijk ingegeven verhuizing, als een werknemer na ontslag de dienstwoning moet verlaten. De werkgever kan de werknemer hiervoor een onbelaste verhuiskostenvergoeding geven. Dit kan ook wanneer de werknemer verhuist naar een ander huis in bijvoorbeeld dezelfde straat, omdat hij voor de nieuwe baan moet beschikken over een grotere woning met een eigen werkkamer. De reisafstand is dan weliswaar niet met de minimale hoeveelheid bekort, maar de verhuizing is wel noodzakelijk. Ook gezondheidsproblemen óf te hoog opgelopen reistijd kunnen volgens de jurisprudentie een zakelijke reden zijn om te verhuizen (Jurisprudentie).

Representatiekosten

Hoe hoger en mobieler de functie is, hoe hoger de representatiekosten kunnen zijn. Het gaat vaak om uiteenlopende kostenposten, zoals het ontvangen van zakelijke relaties in een restaurant of thuis, lunchkosten en telefoonkosten, maar ook de zogeheten interne representatiekosten. Hieronder vallen de kosten voor cadeaus voor collega's bij verjaardag of geboorte van een kind. Representatiekosten kunnen belasting- en premievrij worden vergoed.

Telefoonkosten

Sinds 2007 zijn telefoon- en internetkosten (gesprekskosten, abonnement, toestel) geheel belastingvrij te vergoeden als de telefoon of het internetabonnement voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. De jarenlange bijtelling die we hebben gehad voor de telefoon van € 22,69 per maand, is verdwenen.
Bij deze belastingvrijstelling gaat het uitdrukkelijk niet om computers of soortgelijke producten zoals digitale agenda's, mini-notebooks, GPS-apparatuur. Zodra de de functie van telefoontoestel duidelijk ondergeschikt is aan andere functies, zoals telematica en dataverwerking, en veelal kan dat aan de kosten van dergelijke toestellen makkelijk worden afgemeten, geldt de belastingvrijstelling niet. Denk aan pocketpc's en mininotebooks. De zogeheten BlackBerry en de smartphone zijn hoofdzakelijk een telefoon, en kunnen dus belastingvrij worden vergoed/verstrekt bij een zakelijk gebruik van minimaal 10%.

Dienstkleding

Verstrekt een werkgever aan een werknemer dienstkleding, of geeft hij hiervoor een vergoeding, dan is dat belasting- en premievrij. Voorwaarde is wel dat de kleding vrijwel uitsluitend geschikt is om tijdens het werk te dragen, of door uiterlijke kenmerken (bijvoorbeeld een logo) bestemd is om tijdens het werk te dragen.

Computers

Jarenlang is er een computervrijstelling geweest, welke zeer populair was. Voor een bedrag van € 2269 (per 2004 werd dit bedrag € 1415) kon de werkgever aan zijn werknemer belasting- en premievrij een computer met toebehoren verstrekken c.q. vergoeden. Per 27 augustus 2004 om 17.00 uur is deze vrijstelling afgeschaft. Werknemers die nog vóór 27 augustus, 17.00 uur een computer hebben aangeschaft (of de verplichting hiertoe zijn aangegaan), vallen nog onder de oude regeling; ondanks dat zij via de pc-regeling nog toekomstig brutoloon of toekomstige vakantiedagen moeten opofferen.
Sinds 27 augustus 2004 kan alleen nog maar belasting- en premievrij een computer worden verstrekt/vergoed of ter beschikking worden gesteld als deze voor 90% of meer zakelijk wordt gebruikt. Pc-privé-regelingen zijn nu dus van de baan, omdat de werknemer de pc grotendeels, of in ieder geval voor minimaal 10%, voor privé-doeleinden zal gebruiken.

Zakelijk gebruik

De bewijslast dat de pc zakelijk wordt gebruikt, ligt bij de werkgever. Voor een desktop op de zaak, is dat niet moeilijk; het omvangrijke zakelijke gebruik is hiervan wel aannemelijk. Daarentegen is het voor een laptop minder eenvoudig. Een aantal mogelijkheden om het zakelijk gebruik aan te tonen zijn:
  • de laptop moet iedere dag op de arbeidsplaats worden achtergelaten;
  • de laptop is zo omgebouwd dat er alleen zakelijk mee kan worden gewerkt en niet privé;
  • de werknemer toont aan dat hij thuis ook een pc heeft.
Mocht de werkgever niet in het bewijs slagen, dan zal de pc belast zijn. Zie hieronder bij niet-zakelijk gebruik.

Niet-zakelijk gebruik

Als de computer niet voor niet geheel of nagenoeg geheel (= 90%) zakelijk wordt gebruikt, dan is het belast. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen een gebruikte, een verstrekte en een ter beschikking gestelde computer. Dit laatste is een computer die de werkgever aan de werknemer uitleent; de werkgever blijft dus eigenaar.
Als de computer niet voor 90% of meer zakelijk wordt gebruikt, dan wordt bij een verstrekte computer de hele waarde (in het economische verkeer = winkelprijs) in één keer tot het loon gerekend. Vergoedt de werkgever een dergelijke computer, dan is het bedrag van de vergoeding volledig belast.
En bij een door de werkgever ter beschikking gestelde (= uitgeleende) computer wordt het te belasten voordeel gesteld op 30% van de waarde van de computer. Dit percentage is afgeleid uit de gebruikelijke afschrijvingstermijn van computers. Hoewel aan het genot van het gebruik van computers van meer dan drie jaar oud doorgaans nog een zekere waarde kan worden toegekend, wordt de waarde van het genot van zulke oude computers om praktische redenen gesteld op nihil. Om dezelfde praktische reden wordt in de eerste drie jaren de waarde van het gebruik op hetzelfde percentage gesteld, hoewel de waarde van het genot doorgaans zal dalen in de loop van de drie jaren.

Werkkamer

Vooral telewerkers beschikken in de eigen woning over een ruimte die gereserveerd is om werkzaamheden voor hun werk te doen. Voorheen was het dan mogelijk, mits voldoende thuis werd gewerkt, om voor de werkkamer een belastingvrije vergoeding te geven. Dit dient als compensatie voor het opofferen van een stukje woongenot.
Echter, per 1 januari 2005 is het begrip ' werkkamer' veranderd waardoor de werkgever niet meer zo snel hiervoor een belastingvrije vergoeding kan geven. De werkkamer moet dan een zelfstandige entiteit zijn, met eigen sanitair en een eigen ingang/oprit teneinde fiscaal als werkkamer te kwalificeren. Krijgt de kamer deze kwalificatie niet, dan is er geen belastingvrije vergoeding mogelijk.
Mocht de werkkamer kwalificeren voor een belasting- en premievrije vergoeding, dan moet nog een tweede 'hobbel ' worden genomen, namelijk toetsen of er voldoende inkomsten in de werkkamer worden verdiend. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen een werknemer die tevens elders een soortgelijke werkruimte heeft, bijvoorbeeld een kamer op kantoor, en de werknemer die niet elders een soortgelijke werkruimte heeft.

Werknemer heeft elders nog werkruimte

Heeft de werknemer ook elders een werkruimte tot zijn beschikking, ook al moet hij die met anderen delen (groepsruimte) of is deze eigenlijk te klein om in te kunnen werken, dan geldt de voorwaarde dat hij ten minste 70% van zijn totale bruto-inkomsten uit arbeid in de werkruimte thuis moet verwerven. Als aan deze eis wordt voldaan, dan is een vaste onbelaste vergoeding voor de werkkamer mogelijk (Regelgeving).

Werknemer heeft elders geen werkruimte

Heeft de werknemer geen werkruimte elders tot zijn beschikking, dan geldt dat:
  • hij in of vanuit de werkruimte thuis 70% van zijn arbeidsinkomsten moet verdienen en;
  • hij in de werkruimte 30% van de arbeidsinkomsten moet verdienen.
Er wordt in deze situatie zowel een 'in of vanuit'-eis gesteld als een 'in'-eis. Met de 'in of vanuit'-eis wordt bedoeld dat de werkzaamheden in de werkkamer moeten worden georganiseerd en administratief moeten worden begeleid door de werknemer. Met de 'in'-eis wordt bedoeld dat de werknemer minimaal 30% van de tijd daadwerkelijk moet doorbrengen in de werkkamer. Bijvoorbeeld verzekeringsagenten en vertegenwoordigers kunnen aan deze voorwaarden voldoen (Regelgeving).

Omvang onbelaste vergoeding

Voldoet de werknemer aan de bovengenoemde voorwaarden van 70% en/of 70/30% en heeft de werkkamer de vereiste zelfstandigheid (zie aan het begin van deze paragraaf), dan mag de werkgever hem een vaste onbelaste vergoeding geven voor de werkkamer. De omvang van de onbelaste vergoeding is vastgesteld op 20% van de economische huurwaarde bij een werkkamer in de eigen woning van de werknemer of 20% van de huur bij een werkkamer in de huurwoning van de werknemer. Zie voor meer informatie hierover in de Praktijkgids Personeel en Fiscus (Regelgeving).
Energie-, onderhouds-, beveiligings- en verzekeringskosten kunnen niet apart onbelast worden vergoed. Deze kosten worden allemaal geacht te zijn begrepen in het 20%-forfait. Specifieke zaken zoals de computer en de telefoon vallen weer niet onder het forfait. Echter, in veel situaties kunnen deze kosten apart onbelast worden vergoed.

Inrichting van de werkkamer

Sinds 1 januari 1998 is het mogelijk de werkkamer van de werknemer één keer in de vijf jaren ter waarde van € 1815 belastingvrij in te richten. Hierbij kan worden gedacht aan een bureautafel, een bureaustoel, bureauverlichting, e.d. De voorwaarden waaronder de werkgever goederen belastingvrij kan vergoeden, zijn:
  • De inrichting moet aan de arbonormen ('artikel 5.15 en 6.30' van het Arbeidsomstandighedenbesluit) voldoen. Dit betekent voornamelijk dat er voldoende licht in de werkkamer aanwezig moet zijn en dat de zitplaats ergonomisch verantwoord is.
  • De werknemer moet ten minste één hele dag per week thuis werken.
  • De werkgever en de werknemer moeten schriftelijk overeenkomen op welke dag(en) de werknemer thuis werkt. Dit contract moet de werkgever bij de loonadministratie bewaren.
  • Op de werkplek thuis moet de mogelijkheid van digitale communicatie via een computer en een modem met de reguliere werkplek aanwezig zijn.
(Wet op de loonbelasting 1964: art. 11)

Huisvesting

In verschillende situaties kan het zijn dat de werkgever meebetaalt aan de huisvesting van de werknemer. Bijvoorbeeld als de werknemer vanwege het werk dubbele huisvestingskosten heeft. Dit kan om verschillende redenen bij de werknemer aan de orde zijn, bijvoorbeeld bij een tijdelijke overplaatsing. De extra kosten van de dubbele huisvesting kunnen onbelast worden vergoed voor een periode van maximaal 24 maanden. Dit is uiteraard alleen mogelijk als de dubbele huisvesting op zakelijke gronden is gebaseerd en geen privé-keuze is. Houdt de werknemer er na 24 maanden nog twee woningen op na, dan gaat de wetgever ervan uit dat dit een privé-keuze is. Een onbelaste vergoeding van de tweede woning is daarom na 24 maanden niet meer mogelijk. Alleen bij uitzending (dus over de landsgrenzen heen) is er geen beperking tot de periode van twee jaar (Wet op de loonbelasting 1964: art. 15).

(Vak)literatuur

Onder vakliteratuur wordt verstaan de literatuur die in de betreffende beroepsgroep als zodanig wordt erkend. Naast de studieboeken, periodieke vakbladen, abonnementen op vaktijdschriften, kosten van boekenhuur, kunnen ook in sommige gevallen losse nummers van tijdschriften hieronder begrepen worden. Vakliteratuur kan onbelast door de werkgever worden vergoed. Evenals de kosten van literatuur. Literatuur is een ruimer begrip dan vakliteratuur. Onder literatuur worden namelijk ook de landelijke dagbladen, een encyclopedie of een woordenboek verstaan. Literatuur kan door de werkgever wel onbelast worden vergoed als de literatuur nodig is voor een behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking. Zo kunnen de kosten van het Financieel Dagblad aan de beleggingsadviseur onbelast worden vergoed.

Personeelsvereniging

Bij veel bedrijven is er, al dan niet op initiatief van de werkgever, een personeelsvereniging. Het lidmaatschap van die vereniging is onmiskenbaar met de dienstbetrekking verbonden, maar toch waren tot 2007 bijdragen van de werkgever aan de vereniging of een vergoeding voor de contributie niet belastingvrij. Per 1 januari 2007 is dat wel het geval, onder de volgende voorwaarden:
  • het betreft een gezelligheidsvereniging van en voor het personeel die als voornaamste doel heeft het bevorderen en organiseren van sociale en gezelligheidsactiviteiten met een gezamenlijk karakter ten behoeve van de werknemers. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een Sint-Nicolaasfeest of een kerstfeest, aan culturele en recreatieve activiteiten.
  • De deelname aan de personeelsvereniging moet openstaan voor ten minste 75% van de werknemers of voor ten minste 75% van de werknemers met dezelfde arbeidsplaats. Denk bijvoorbeeld aan een bedrijf dat zowel in Alphen aan den Rijn als in Deventer een vestiging heeft (Wet op de loonbelasting 1964: art. 15) , welke beide vestiging een eigen personeelsvereniging heeft óf mogelijk maar één van de vestigingen een eigen personeelsvereniging heeft.

Andere belastingvrije betalingen

De werkgever heeft de mogelijkheid de werknemer in bepaalde omstandigheden, en onder bepaalde fiscale voorwaarden, belastingvrije betalingen te doen.

Dienstjubilea

Het is gebruikelijk dat de werkgever aandacht besteedt aan het feit dat een werknemer een aantal jaren in dienst is. De werkgever kan bij zo'n gelegenheid ook een uitkering doen.

Overlijden

Bij overlijden van de werknemer, zijn partner of één van zijn kinderen, kan 3/12 van het jaarsalaris belastingvrij worden geschonken. Het bedrag moet wel in één keer worden betaald. Onder jaarsalaris moet worden verstaan het brutoloon plus andere vast overeengekomen beloningen (bijvoorbeeld vakantiegeld, dertiende maand). Bijzondere beloningen en tantièmes, e.d. blijven buiten beschouwing.
Op grond van de Ziektewet en de WIA/WAO betaalt het UWV een overlijdensuitkering als de verzekerde werknemer overlijdt. Deze uitkering wordt betaald aan de nabestaanden. Ook de overlijdensuitkering van het UWV is in beginsel belastingvrij. De belastingvrijstelling geldt echter voor het totaal van de door UWV en werkgever betaalde bedragen. Hetgeen de werkgever belastingvrij kan uitkeren wordt dus beperkt door de overlijdensuitkering van het UWV (Wet op de loonbelasting 1964: art. 11).
Let op: Bij overlijden van de werknemer zelf is de werkgever verplicht een overlijdensuitkering aan de nagelaten betrekkingen te doen. De (hierboven genoemde) overlijdensuitkering op grond van de ZW/WIA/WAO mag hierop in mindering gebracht worden.

Ziektekosten

Werkgevers mogen aan hun werknemers bepaalde ziektekosten belasting- en premievrij vergoeden, namelijk de zogenoemde bijzondere ziektekosten. Wat zijn bijzondere ziektekosten? Dat zijn de ziektekosten die niet door de basisverzekering worden gedekt. Men zou er dus de polisvoorwaarden op moeten naslaan, om te achterhalen wat de werkgever belastingvrij mag vergoeden. Als voorbeeld dient het montuur van een bril, contactlenzen, een kuurreis, extra autokosten die door invaliditeit worden opgeroepen óf extra kosten voor verpleging in een hogere klasse dan waarin de basisverzekering voorziet. Deze kosten worden immers niet vergoed door het basispakket. Ook bepaalde tandartskosten vallen hier niet onder en kunnen eveneens onbelast door de werkgever worden vergoed. Als laatste kan nog de verplichte eigen bijdrage bij bepaalde verstrekkingen (bijvoorbeeld 20% zelf moeten betalen bij een behandeling) worden genoemd.

(Feestdagen)geschenken

De werkgever mag bij bepaalde bijzondere gebeurtenissen de werknemer vrij een geschenk met een ideële waarde geven:
  • bij de volgende feestdagen:
    • algemeen erkende feestdagen: Sint-Nicolaasfeest, Koninginnedag, Bevrijdingsdag, Pasen, Pinksteren, Hemelvaartsdag, Kerstmis en Nieuwjaar. De staatssecretaris heeft goedgekeurd dat het Israëlitisch Offerfeest en de Ramadan als een erkende feestdag wordt aangemerkt.
    • een jubileum van de inhoudingsplichtige. Het bereiken van een 'mijlpaal' in een productieproces is geen jubileum van de werkgever. Wel het gedenken van de oprichting of aanvang van de onderneming op de daarvoor gebruikelijke jaren;
    • de verjaardag of een andere persoonlijke feestdag van de werknemer. Als persoonlijke feestdagen van de werknemer gelden zijn verloving, huwelijk en geboorte van zijn kinderen. De jaarlijkse viering van de trouwdag, verloving of de verjaardagen van echtgeno(o)t(e) en kinderen zijn geen persoonlijke feestdagen van de werknemer.
  • bij de in 'Jubileumuitkeringen' genoemde diensttijdjubilea (25- en 40-jarig dienstverband);
  • bij de beëindiging van de dienstbetrekking.
Deze geschenken kunnen alleen onbelast worden verstrekt als deze ook daadwerkelijk op de feestelijke dag worden verstrekt. De vrijstelling is dus niet zo ruim als bij de diensttijdvrijstelling waar het mogelijk is geruime tijd later het 'cadeau' te geven.

Ideële waarde

Geschenken die duidelijk een gebruikswaarde hebben vallen niet onder de belastingvrijdom, zoals bijvoorbeeld een fiets of een televisietoestel. Dergelijke geschenken moeten voor de loonheffing worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer en hierover moet loonheffing worden ingehouden. Maar wat is dan wel een geschenk met een ideële waarde? Vandaag de dag is dat eigenlijk alleen nog maar datgene dat wordt aangeduid als 'prul'; die dingen die iemand meteen in de kast stopt. Echter, begin 2004 heeft de rechter in Amsterdam beslist dat een gouden horloge met op de achterkant een inscriptie (naam bedrijf + datum) een geschenk met een ideële waarde is. Het horloge moet dan echter niet van het niveau Breitling zijn, want dat is geen voorwerp met een in hoofdzaak ideële waarde.
Let op: In de plaats van een cadeau mag uiteraard geen belastingvrije geldsom worden gegeven; daar is immers niets ideëls aan.

Kerstpakketten e.d.

Tot 2007 kon de werkgever ieder jaar één geschenk aan de werknemer geven ter gelegenheid van een algemeen erkende feestdag of het Sinterklaasfeest (ongeacht of dit geschenk ideële waarde heeft of niet) ter waarde van maximaal € 35 waarover de werkgever 15% eindheffing verschuldigd was. Per 1 januari 2007 is dit bedrag opgerekt naar € 70 en dit bedrag mag ook over meerdere geschenken worden verdeeld. De werkgever is hierover 20% eindheffing verschuldigd. Overigens hoeft het geschenk niet meer ter gelegenheid van een feestdag te worden gegeven (Wet op de loonbelasting 1964: art. 31)

Bijzondere overeenkomsten

Hetgeen hiervoor is gezegd over onkostenvergoedingen kan in iedere overeenkomst worden afgesproken, dus ook in de freelance-overeenkomst. Een freelancekracht kan immers voor een goede uitoefening van zijn functie ook kosten maken. Hierover kunnen in het contract afspraken worden gemaakt. Omdat een freelancekracht meestal op een iets lossere basis werkzaam is, zal het meestal niet gaan om een bedrijfsauto of studiekosten. Het is echter wel heel goed mogelijk dat de freelancekracht reiskosten heeft.
Echter, sinds de belastingherziening per 2001 zijn de kostenvergoedingen voor freelancers niet meer per definitie belastingvrij. Sinds 2001 worden zij in fiscaal opzicht bijna net zo als ondernemers behandeld. Zij moeten in beginsel alle baten, dus honorarium maar ook onkostenvergoedingen, tot het belastbare inkomen rekenen. Vervolgens mogen zij hiervan de gemaakte kosten aftrekken. Deze kostenaftrek wordt op dezelfde manier bepaald als bij ondernemers. Zij hebben dus te maken met bijvoorbeeld de 75%-aftrekbeperking (voorheen; de 90%-aftrekbeperking). Zie voor freelancekrachten ook 'Freelance-overeenkomst' .
Raadpleeg uw cao!
In een cao zijn soms afspraken gemaakt over onkosten die de werkgever moet vergoeden.

Inhoud van dit dossier